donderdag 2 mei 2013
Existentiële vraagstukken der leven
Vanavond zag ik voor het eerst de film 'American Beauty'. Hij was mij ooit aangeraden door een zeker persoon, maar helaas kwam het er nooit van om hem te kijken. Ik had nooit verwacht dat ik een film zou zien die een dergelijke indruk op mij heeft achter gelaten. Een half uur later ben ik nog steeds aan het bijkomen van dit verhaal, van de unieke vraagstukken die voortkomen uit het unieke verhaal - vraagstukken waar menig existentialist zich aan durft te wagen.
Ik kan het niet laten om mijn gedachten niet op digitaal papier te plaatsen, dus ik begin direct met het eerste vraagstuk.
Hoe belangrijk is conformiteit voor het individu? Wat is de invloed op de identiteit van het individu?
Ik begin eerst door te refereren naar mijn blog waarin ik vanuit een psychologisch perspectief een beeld heb gevormd van de unieke interactie die bestaat tussen het individu en de groep. Ieder individu doet zijn/haar best om te conformeren naar de norm zoals die geldend is binnen de gegeven cultuur. In deze film wordt dit prachtig weergegeven door het uitdragen van 'the american dream', waarin de vrouw van de hoofdrolspeler constant succes nastreeft. Het is deze cultuur dat soms ten koste gaat van fundamentele eigenschappen waarover het individu beschikt - eigenschappen die door de groep als bedreigend worden ervaren, eigenschappen die niet gepast zijn binnen de geldende cultuur van de groep. Een individu die hiervoor vatbaar is, zal zich aanpassen; op een negatieve wijze welteverstaan, het zal diens unieke eigenschappen, die eigenlijk kenmerkend zijn voor de persoon in kwestie, onderdrukken en ondergeschikt maken aan de groep.
Hierdoor raakt het individu onlosmakelijk ondergeschikt aan de groep en is dat alleen al niet slecht? Een individu die zich ondergeschikt maakt aan de groep verliest diens identiteit; althans voor de tijd dat het individu deel uitmaakt van de groep. Maar is dat alleen al niet slecht? Waarom zou een individu zich ondergeschikt moeten maken aan de groep, terwijl het juist de kunst is om een co-existentie te vormen tussen de groep en het individu? Op die manier kunnen beiden partijen op een gelijkwaardige wijze door het leven gaan, profiteren van elkanders krachten en ondersteunen op elkanders zwakheden. Dát is de meerwaarde van een groep - een groep waarin het individu onderschikt wordt gemaakt aan de groep heeft vanuit dit perspectief bezien geen toekomst. Enkel individuen waarvan de identiteit geen meerwaarde heeft op de identiteit zoals die wordt vormgegeven door de groep zullen deel uitmaken van deze groep. Ieder ander individu die de prikkel ervaart van het creëren cq. vormen van een eigen identiteit zal een gezonde balans kunnen vormen tussen zichzelf en de groep waar het deel van uitmaakt.
Het mooiste voorbeeld is SPOILER ALERT! de vader van Ricky, die op het einde zelf homo blijkt te zijn. Zijn agressie cq. homofobie wordt enkel bewerkstelligt door zijn eigen ontkenning van zijn geaardheid. Waarom doet hij dit? Ik kan hier geen antwoord op geven, enkel een persoon die zelf homoseksuele gevoelens ervaart zal dit op een verhelderende wijze kunnen uitleggen. Het enige wat ik mij kan voorstellen is dat het voor dergelijke mensen een constant gevecht is om diens eigenschappen te erkennen en deze uit te dragen, met de wetenschap dat er mensen zijn die het zullen afwijzen en dientegevolg zal uitbanning uit de groep een onvermijdelijk gevolg kunnen zijn.
De identiteit is bezien vanuit dit perspectief een constante dynamische uitwisseling tussen het individu en de groep. Het individu fungeert primair als een reflectie van het groepsdenken - hiermee wordt ook invloed uitgeoefend op de identiteit. De vraag "wie ben ik?" raakt hierdoor in feite in diskrediet, omdat met deze vraagstelling enkel het individu wordt belicht, terwijl de werkelijk identiteit gedeeltelijk wordt gevormd door het groepsdenken of in psychologische termen de "peer group", wat zo goed en kwaad kan worden vertaald als een abstractie van een vriendengroep waarbij er sprake is van de uitwisseling van denkbeelden, ideeën en standpunten op een bepaald thema.
Toegegeven, de eerste vraagstelling is al goed genoeg voor het schrijven van een volledige blog, maar ik laat het voor nu bij dit beknopte antwoord. Op naar de tweede vraagstelling!
Waarom laten wij ons leiden door onze angsten en niet door onze dromen? Waarom is het leven volgens esthetische regels niet wenselijk voor ons?
Het is reëel om ons te laten leiden door onze angsten - sociale constructen die ons worden opgelegd door de maatschappij en de angst om hieraan niet te kunnen voldoen, ook in het kader van de eerste vraagstelling zijn angsten van grotere invloed op onze identiteit dan onze dromen. Hoe komt dit? Waarom is het zo moeilijk om een doel te stellen en ons leven te vormen naar dat doel toe? Wat is het nut van dromen als je het niet kan najagen?
Het is zo makkelijk om ons leven op een doelloze manier te leiden - dat de waan van de dag ons moraal aanspreekt en dat wij gedwongen worden om een uitspraak te doen over iets waar wij al over hebben geoordeeld op het moment dat wij het waarnemen, zonder dat wij het waargenomene op een rationele wijze hebben benaderd. Iedereen kan een mening hebben en deze uitspreken, maar het is de kunst om erover te hebben nagedacht en een weloverwogen uitspraak te doen dat tevens een representatie is voor onze mening. Iedereen laat zich al leiden door diens angsten, enerzijds vanwege de enorme invloed op onze identiteit, anderzijds vanwege de angsten die worden gevormd door de onmacht die wij ervaren op de sociale constructen waar wij allemaal onlosmakelijk deel van uitmaken. Het individu die zich daadwerkelijk hiervan kan loswrikken is degene die leert om diens dromen na te jagen - het leven is al insignificant genoeg, waarom niet een poging doen om er iets moois van te maken? Het is deze gedachte die de hoofdrolspeler ertoe bracht om een verandering door te voeren in zijn leven. Hij zou voortaan zelf zijn leven bepalen!
Leven volgens esthetische regels is makkelijk, wij doen het al iedere dag van ons leven, zonder dat wij er gewaar van zijn. En op het moment dat er een jaar voorbij is, kijken wij elkaar aan en zeggen "Hé!? Is er nu alweer een jaar voorbij!? Waar is de tijd heen gegaan!?"
Mijn vrienden, de tijd is nergens heen gegaan, het is er altijd geweest (en zal ook waarschijnlijk voor altijd zijn). Het is enkel onze invulling van onze tijd waar wij niet voldoende bewust van zijn geweest, waardoor wij niet ervaren hoe snel de dagen voorbij gaan. Leven volgens esthetische regels is niet slecht, maar het is wél een leven dat wordt bepaald door angsten. Het individu dat leeft volgens dromen kiest ervoor om voorbij het esthetische te gaan. Het esthetische is louter datgene dat vorm geeft aan alles - het is als het ware dat wat wij zien. Maar dat wij zien is niet de essentie van het bestaan, nee dat is een niveau dieper. Juist daarom is het niet wenselijk om te leven volgens esthetische regels - hoe kan je jezelf ontwikkelen als je niet voorbij het oppervlakkige prikt en tot een dieper niveau van bewustzijn komt? Het antwoord is heel simpel - niet.
Dat was alweer de tweede vraagstelling, waar ik eveneens een paar blogs over kan schrijven, maar dat is wellicht iets voor in de toekomst. Voor nu wil ik mij gaan richten op de derde en laatste vraagstelling.
Is het leven daadwerkelijk insignificant? Zo nee, hoe kunnen wij dan vorm geven aan ons leven? Zo ja, wat is dan het doel van het leven?
Iedere filosoof weet dat een dergelijke vraagstelling in dit stadium onbeantwoord zal blijven. Er zijn teveel variabelen om hierop een sluitend antwoord te kunnen geven. Er valt zelfs nog wat te zeggen over de vraagstelling an sich, of deze wel goed is gesteld, in de veronderstelling dat hiermee een sluitend antwoord kan worden gevonden op dit existentiële vraagstuk.
De hoofdpersoon ervaarde zijn leven als insignificant, dus besloot het zelf over te gaan tot persoonlijke veranderingen. Ricky ervaart zijn leven op een andere wijze, hij beschouwd het leven als een pallet van schoonheid - "there is so much beauty that i cannot comprehend". Kunnen beide perspectieven op het leven worden vereenzelvigd in één denkwijze? Kan het leven daadwerkelijk vol schoonheid zitten en toch voor ons als individu insignificant zijn?
De omvang van collectieve denkwijzen toont ons de invloed van het collectief bewustzijn op het individu. Doordat wij als individu kunnen deelnemen aan een collectieve gebeurtenis ervaren wij als individu de ervaring vanuit het perspectief als groep zijnde. Voor het individu wordt het leven inderdaad als insignificant beschouwd, maar door deel te nemen aan een groep wordt er een waarde toegekend aan het leven - een waarde ingevuld vanuit het perspectief als groep zijnde.
Een louter esthetisch leven beschouw ik persoonlijk daadwerkelijk als insignificant - een persoon die enkel leeft volgens de waan van de dag zal ooit op het punt komen dat het zich gaat afvragen wat voor doel het heeft gehad in het leven. Wij proberen uiteindelijk allemaal een verklaring te vinden voor het feit dat wij leven - iets wat wij mogelijkerwijze nooit kunnen bevatten. Sommigen kiezen ervoor om dit te wijten aan het bestaan van een hogere macht - anderen kiezen ervoor om de insignificantie van diens leven te accepteren. Het zijn enkelen die ervoor kiezen om diens dromen achterna te jagen - het zijn deze enkelen die daadwerkelijk in staat zijn om vorm te geven aan hun leven.
Wat is het doel van het leven? Ieder mens zal ooit in zijn/haar leven op het punt komen om deze vraag pogen te beantwoorden. Ik heb in mijn korte leven al het geluk gehad om deze vraagstelling al een paar keer te hebben gesteld. Waar ik vroeger enkel god vervloekte voor de ellende dat ik heb moeten meemaken in mijn leven, heb ik tegenwoordig een ander standpunt in mijn leven genomen. Mijn eerste poging op een antwoord was heel simpel:memento mori - de vergankelijk van het leven. Het feit dat wij ooit doodgaan is de reden dat wij leven!
Is dit niet een cirkelberedenatie? In feite wel, daarom is dit antwoord niet sluitend. De hoofdpersoon in american beauty heeft gezegd "i've enjoyed every second of my insignificant life". In feite is dit een vrijbrief voor het leiden van een esthetisch leven, zonder enig besef van een dieper bewustzijn. Toch zit er waarheid in deze woorden. Waarom zouden wij niet mogen genieten van de korte tijd dat ons gegeven is in dit leven?
Misschien zit hier het probleem - genieten is een voorrecht van ons bestaan, maar is het niet zaak om tegelijk bewust te worden van het voorrecht dat ons is gegeven van dit leven? Een zinvolle invulling van het leven lijkt mij een betere kijk of het leven wanneer je ligt in je sterfbed dan wanneer je louter esthetisch leeft. Natuurlijk is het begrip "zinvol" aan interpretatie onderhevig en denk ik dat ik het hierbij ga laten.
Tenslotte wil ik eindigen met deze woorden: Dwaal niet in het verleden, maar leef in het heden met het zicht op de toekomst!
Mijn vrienden, dank voor het lezen van deze blog. Ik heb nog een hoop ideeën die ik graag zou willen uitwerken, maar ik hoop dit verder te kunnen doen in de toekomst. Ik wens jullie allemaal een hele fijne nachtrust toe. Een dikke knuffel van jullie semi-filosoof, Halbe!
Labels:
American Beauty,
Existentialisme,
Filosofie,
leven,
ratio vs emoties
donderdag 25 april 2013
Filosofische beschouwingen op de ontwikkeling van de rechtsstaat der Nederlanden in de laatste decennia
The reason no single human being can be trusted to rule others, and why the rule of law thus becomes necessary, is that few human beings have the requisite knowledge, and none can be expected, always and in every case, to subordinate his or hew own private interest to the common good. By giving the highest offices to a number of different indviduals at once, limiting their terms, holding elections, having the performance of public officials audited by others afterward, and subjecting them to the penal code as well as the complex system of educational customs and practices, the Athenian has prescribed a great many legal means of restraining the selfish desires and fears to which human beings are prone. Nevertheless, as the Athenian has insisted from the beginning of the dialogue, such restraints do not and will not suffice to produce virtuous or happy people. To rule themselves - both as individuals and as a community - and so attain and retain their freedom and friendschip, people have to develop their intelligence. - Pagina 139, Plato's Philosophers, geschreven door Catherine H. Zuckert.
Ons land bevindt zich op allerlei fronten in een impasse. Het politiek landschap is versplinterd, iets dat door verschillende mensen wordt beschouwd als de nalatenschap van wijlen Pim Fortuyn. Mensen zagen in hem de nieuwe messias, de redder van ons land. En het liet ons land ontredderd achter na diens dood; verdwaasd kozen wij en masse voor de partij waarvan iedereen had verwacht dat het een goede vertaling zou zijn van het gedachtengoed dat door hem werd uitgesproken. Het mocht niet baten, na de val van Balkenende-I vloog iedereen terug naar de vertrouwde plekken - partijen waar wij daarvoor altijd op stemden.
De maatschappelijke onrust bleef en werd in zekere zin scherper van aard, want onze vriendelijke politici laten zich schijnbaar in het huidige tijdperk veel sneller leiden door de publieke opinie, met alle beleidsmaatregelen die eruit voortvloeien.
In de volkskrant was twee maanden geleden zelfs een artikel gepubliceerd waarin het voortbestaan van Nederland als rechtsstaat in twijfel werd getrokken. Ik heb vorig jaar al eerder een een schrijven hieraan gewijdt, waarin ik mij verbaasde over de simpliciteit van ons medemens, dat het louter op een emotionele basis een mening kan vormen over een ernstige zaak, terwijl de ratio hierdoor raakt overwoekerd.
Zoals zo mooi in het artikel staat geschreven heerst in ons land een nare mentaliteit van bekrompenheid jegens de rechtspraak; dit gegeven is natuurlijk volstrekt uit den boze als je nagaat dat ons land moet doorgaan voor een rechtsstaat! Het lijkt alsof hier een rol is weggelegd voor onze politici - dat zij eindelijk die leiderschapsrol gaan spelen waar wij al jaren naar verlangen als samenleving. Het enige wat tot nu toe hiervoor kon doorgaan was een irrationele afspiegeling van de grote denker die wijlen Fortuyn was in de vorm van Geert Wilders. Naast Wilders was er ook nog iemand anders, Ayaan Hirsi Ali kon even genieten van haar bekendheid als islamcriticus bezien vanuit een vrouwelijk oogpunt. Helaas was Rita Verdonk het hier niet mee eens, met alle gevolgen van dien - deze rel was het einde van Balkenende-II.
Waar Ayaan Hirsi Ali besloot te kiezen voor een internationaal platform, zag de opportunist pur sang zijn kans schoon om het politieke toneel te overschaduwen met diens anti-islamretoriek, doorspekt met hier en daar loze leuzen die gericht waren op de waan van de dag.
Ik heb geen behoefte om een gedetailleerde beschrijving te maken van alle politieke invloed die is voortgevloeid uit de anti-islamretoriek van Wilders, ik verwijs hiervoor met alle plezier naar een scherp geschreven betoog waarin ik de PVV beschouw als een fascistische partij of diens discutabele invloed op het handelen van Anders Breivig, toen hij een bloedige aanslag pleegde die sterk politiek gekleurd was. Ik wil graag stil staan bij het tekortschieten van het politiek beleid op het gebied van economie.
Wij mogen wijlen Adam Smith bedanken voor het ontwikkelen van een filosofisch systeem dat de grondslag was voor een kapitalistisch model. Het is vooralsnog dankzij het kapitalisme dat onze wereld eruit ziet zoals het er nu uit ziet. Tenslotte is de welvaart van een land inherent aan de economische groei van een natie. Hij pleitte voor een vrij systeem waarin ieder persoon die een mogelijkheid zag om te ondernemen, dit ten uitvoer bracht om zichzelf te onderhouden en indirect bijdragen aan de ontwikkeling van de economie. Dit kennen wij heden ten daagse als het liberalisme, dat tevens tegenwoordig veel kritiek te verduren heeft. Het is weliswaar het liberalisme dat heeft bijgedragen aan de omvangrijke groei midden jaren '90 van de vorige eeuw, de terugslag van de jaren '00 heeft een grote stempel gedrukt op de westerse wereld. De moderne economie, gefundeerd op diens kapitalistische wetten schudde op diens grondvesten.
De gevolgen van de kredietcrisis waren ongekend. Waar de EU net was bijgekomen van alle veranderingen die volgden op de invoering van de euro, begonnen een hoop mensen zich toch wel druk te maken over al dat geld dat verdween in Amerika, omdat mensen hun hypotheek niet meer konden betalen, op straat werden gezet en het huis met verlies werd verkocht. Het was pas toen een systeembank omviel dat de kredietcrisis over sloeg naar Europa. Beursen zakten in het rood en mensen wisten niet meer waar zij nog geld konden winnen met handel. De zogenaamde "eurocrisis" is het kindje geworden van de kredietcrisis en woedt heden ten daagse nog steeds. Dacht men vroeger dat het onmogelijk was voor een land om failliet te gaan, werd dit opeens een reële mogelijkheid toen bleek dat verschillende landen een slecht economisch beleid hadden gevoerd.
Ik vraag mij af, los van de logica van de golfbeweging die bestaat binnen de gedragingen van de economie, hoe is het toch mogelijk dat in dit tijdperk landen failliet kunnen gaan? Is dit te wijten aan een perverse manier waarop het systeem van Adam Smith is geïmplementeerd in de moderne economieën? Of hebben wij als in de moderne economen het originele systeem van Adam Smith gewoon ronduit verkracht waardoor het niet meer kan functioneren binnen de moderne economieën?
Ons land bevindt zich vooralsnog niet in rustig vaarwater, allerminst. De sociaal-maatschappelijke onrust jegens de vermeende "islamisering van westerse landen" is nog steeds een feit, het is lastig om na te gaan of deze onrust wordt aangewakkerd door de opkomst van een politieke partij als de PVV of dat populariteit van een dergelijke partij enkel wordt aangewakkerd door de sociaal-maatschappelijke onrust - hierbij belanden we terug op het al bekende "kip en het ei-verhaal". Ik denk dat dit een goed punt is om stil te staan bij de quote waarvoor ik deze keer heb gekozen om te fungeren als inleiding. Ik heb besloten om te beginnen met een verhaling dat afkomstig uit een werk van Plato namelijk The Laws.
Dit werk omvat een uitvoerige filosofische verhandeling van de verschillende facetten van het begrip "wetten". Een dergelijk begrip spreekt voor zich, toch kan ik verschillende filosofische essays schrijven over dit thema, zonder dat ik een concrete (filosofische) vraagstelling heb opgesteld. Wat mij intrigeert is het propositie van de politiek op wetten - de onlosmakelijke verbintenis waarop de politiek leidend moet zijn voor een natie om te functioneren. Het idee van het liberalisme is een overheid die enkel de maatschappelijke voorzieningen moet reguleren en daarnaast vooral een controlerende rol moet uitvoeren. Los van de verschillende vraagstellingen m.b.t. praktische uitvoering dat een dergelijk concept met zich meebrengt, is het interessant om te aanschouwen dat zelfs het liberale gedachtengoed nog altijd vasthoudt aan de ideeën dat dergelijke maatschappelijke instituten zoals de rechtspraak behouden moeten blijven voor de regering.
Een vraagstelling wil ik bij deze opwerpen:kunnen er wetten worden geformuleerd die ten doel hebben de samenleving te ondersteunen in diens ontwikkeling en die daarom ten alle tijde geldig zullen zijn?
Dit is een belangrijke vraagstelling dat ligt in het verlengde van de filosofische discussie die wordt gevoerd in het werk van 'The Laws'. Er wordt enerzijds betoogt voor het opstellen van wetten die voor eeuwig moeten standhouden. Dit zou in theorie mogelijk zijn, in het kader van ethiek. 'Het kwaad zit in ieder mens', zoals schijnbaar wordt beschouwd als een christelijke uitspraak - ik beschouw deze uitspraak eerder als mens eigen. Het is door de existentie van het kwaad dat het goede kan bestaan. Sterker nog, als ik even Nietzscheaans mag doen, het is juist het bestaan van het kwade dat noodzakelijk is voor het voortbestaan van het goede als tegenovergestelde kracht. Het feit dat wij in staat zijn om een ander mens te pijnigen en zelfs te vermoorden veroorzaakt in ons de afgunst jegens ieder mens die tot een dergelijke daad overgaat - dit leidt uiteindelijk tot de vorming van een prématuur moraal.
Afijn, ik dwaal af. Er wordt een hele fundamentele discussie gevoerd waarin wordt gesteld dat het mogelijk is om wetten op te stellen die eeuwig geldig zullen zijn. Maar voor wetten om te kunnen worden bekrachtigd, moeten mensen ook begrijpen waarvoor de wet dient. Een wet in het kader van moraal is vrij simpel te bevatten, maar in onze moderne rechtspraak wordt tegenwoordig steeds meer aandacht gegeven aan de neurologische/psychologische facetten van het menselijk handelen. Noem het woord pedofiel en direct steigeren mensen en omarmen zij hun kinderen op een krampachtige wijze, waarbij je je soms afvraagt of je niet medelijden moet hebben met kinderen die op een dergelijke overbeschermende wijze opgroeien. Het woord "psychologisch" wordt door dergelijke individuen beschouwt als een analogie van "geestelijk" en neurologie is een moeilijke term dat veel makkelijker kan worden omschreven met het woord "zenuwstelsel". Maar op het moment dat er wordt gesproken over neurologische interacties dan is men het spoort bijster, want dan wordt het toch zo moeilijk om het allemaal te volgen!
Het doet mij dan ook deugd om te lezen dat zelfs Plato het ooit heeft gezegd: and so attain and retain their freedom and friendschip, people have to develop their intelligence. Wellicht dat er ooit een tijd komt dat de samenleving zijn intelligentieniveau heeft ontwikkeld en niet louter een mening vormt op basis van irrationele ideeën.
De neurologie staat nog in haar kinderschoenen, terwijl de opzet van de rechtspraak is ontwikkeld sinds het begin van menselijke beschaving - sinds de tijd dat de oude Grieken een vorm van menselijke beschaving hadden ontwikkeld met diens verschillende vormen van staatsinrichting. Waar Plato een gedegen werk heeft geschreven dat van fundamentele invloed is geweest op de ontwikkeling van de rechtspraak in de oudheid, heeft Aristoteles een belangrijk werk geschreven over de (psychologische) gedragingen van de mens. Al zijn ideeën zijn samengebundeld in zijn Ethica Nicomachea en ik wil dan ook de volgende quote belichten uit dit werk:
De meerderheid van de mensen, en vooral de jeugd, vindt het namelijk niet prettig om ingetogen en geduldig te leven. Daarom is het nodig dat hun opvoeding en bezigheden bij de wet geregeld zijn, want ze zullen deze dingen niet onplezierig meer vinden, als ze er eenmaal aan gewend zijn geraakt. Ongetwijfeld is het echter niet voldoende de juiste opvoeding en aandacht te krijgen wanneer men jong is. Maar ook als volwassene is het nodig die bezigheden uit te voeren en ze tot gewoonte te maken. Daarom zullen we wetten nodig hebben die ook op de bezigheden van deze laatste leeftijdsgroep betrekking hebben en in het algemeen dus op het hele leven. Want de meeste mensen zwichten eerder voor dwang dan voor argumenten en eerder voor straffen dan voor wat moreel juist is.Aristoteles gaat uit van het emotionele individu - een individu dat enkel gehoor geeft aan diens irrationele denkwijzen en zodoende niet voor rede cq. argument vatbaar is. Hij stelt dat juist omdat mensen zulke emotionele wezens zijn, het wenselijk is om een sociaal systeem te ontwikkelen waar de mens zich aan moet onderwerpen in de veronderstelling dat het uiteindelijk leidt tot de ontwikkeling van een volwaardig individu die in staat is op adequate wijze zijn/haar leven te kunnen leiden. Bij Aristoteles werd het concept van de vrije wil niet expliciet uitgesproken, echter kan er uit verschillende stukken worden gededuceerd dat Aristoteles wel degelijk uit ging van het gegeven dat de mens uiteindelijk zelf een keuze maakt om een bepaalde handeling ten uitvoer te brengen. Deze discussie over de vrije wil vs. determinisme kan worden getraceerd tot een scala aan filosofen, wetenschappers en andere schrijvers die hebben bijgedragen aan deze maatschappelijke discussie. Er is enkel één persoon die ik in dit licht bezien verdiend om te worden benoemd. Immanuel Kant heeft in zijn filosofie een moralistisch element ontwikkeld binnen zijn filosofisch systeem - dit element kan enkel bestaan met de propositie van het bestaan van de vrije wil. Ik ga hier niet verder over door, hiervoor verwijs ik graag terug naar mijn essays die zijn geschreven in het kader van de zoektocht naar een beter vermogen om het begrip moraliteit te kunnen bevatten. Het moment dat mensen worden gereduceerd tot complexe gedetermineerde biologische wezens zal de dag zijn dat de rechtspraak kan worden opgeheven, omdat diens ethiek louter kan bestaan onder de voorwaarde van het bestaan van de vrije wil. Victor Lamme heeft in ieder geval het voorschot gegeven met zijn werk 'De vrije wil bestaat niet. Of dit het begin zal zijn van het einde is nog te betwijfelen - er zijn hele concrete aanwijzingen gevonden waarmee een deel van het menselijk handelen kan worden verklaard. Maar is nog altijd een groot grijs gebied dat wordt beslagen tussen de neurologie en de psychologie. Ik twijfel er niet aan dat er ooit een tijd zal aanbreken dat dit gebied is opgehelderd, maar ik laat in het midden of het accent komt te liggen op de neurologie of de psychologie. Toch heb ik het vermoeden dat ondanks het ophelderen van de fysische wetmatigheden, de vrije wil nog altijd zal blijven bestaan binnen een biologische context. Mijn vrienden, dank voor het lezen van dit schrijven! Voor de verandering ben ik niet specifiek uitgegaan van bepaalde filosofische vraagstellingen, maar had ik eens de behoefte om mijn gedachte vrijuit doch wel enigszins gestructureerd op digitaal papier te vereeuwigen. Ik wens jullie allen een hele fijne avond toe. Een dikke knuffel van jullie semi-filosoof, Halbe!
Labels:
democratie,
Filosofie,
neurologie,
politiek,
Psychologie,
rechtspraak,
rechtsstaat,
samenleving,
vrije wil
zondag 31 maart 2013
Filosofisch intermezzo - Metafysica vs. Kwantum Mechanica
Het is naar weten dat alle mensen van nature streven. Een aanwijzing daarvoor is hun voorliefde voor de waarnemingen. Die voorliefde geldt de waarnemingen namelijk ook omwille van zichzelf, los van enig nut, en het meest van al de waarneming door middel van de ogen. Niet alleen namelijk om ons handelen mogelijk te maken, maar ook wanneer we geen handeling overwegen, verkiezen we het zien, durf ik te zeggen, boven alle andere waarnemingen. De oorzaak hiervan is dat vooral deze waarneming ons de dingen leert kennen en allerlei kenmerken laat zien.[...]
Ervaring heeft een aanzienlijke gelijkenis met kennis en techniek, maar in feite is het zo dat kennis en techniek bij mensen ontstaan op grond van ervaring. Ervaring is, in de woorden van Polus, de moeder van techniek, en onervarenheid baart toevalstreffers. Techniek ontstaat als uit een groot aantal inzichten die op ervaring betrekking hebben één algemene veronderstelling over alle vergelijkbare gevallen ontstaat. De veronderstelling dat Callias, wanneer hij aan een bepaalde ziekte lijdt, baat heeft bij een bepaald medicijn of een bepaalde behandeling, net als Socrates en een groot aantal andere individuen in dezelfde toestand, is een zaak van ervaring, maar de veronderstelling dat alle mensen die aan deze ziekte lijden en op de grond van één specifiek symptoom gedefinieerd worden - bijvoorbeeld als flegmatisch, cholerisch of intermitterend koortsig -, er baat bij hebben, is een zaak van techniek. - Metafysica - Boek Alpha, Nederlandse vertaling door Dr. Ben Schomakers,pagina 79/81
De bovenstaande tekst is afkomstig uit een aantal werken van Aristoteles die bekend staan als 'De werken na de fysica'. Deze werken bespreken de fysica, het bestaan van het al. Niet vanuit een empirische visie, maar vanuit een elementaire propositie. Juist vanwege dit perspectief op de fysica zijn deze werken omgedoopt tot de metafysica - vrij vertaald in het nederlands als 'abstractum van de fysica'.
Metafysica neigt naar de wetenschap zoals wij die kennen als kwantum mechanica - de wetmatigheden van subatomaire deeltjes. Ik zeg expliciet neigt, want metafysica is nog altijd gebaseerd op logica, terwijl kwantum mechanica uitgaat van een wiskundige rangorde. Toch blijven beide vakgebieden mij enorm intrigeren, zeker gezien het gegeven dat de één gefundeerd is op onze ratio, terwijl de ander een tot heden lastig aan te tonen wetenschap is gebleven. Planck, Maxwell en Einstein waren in zekere zin de grondleggers van de kwantum mechanica. Maxwell had d.m.v. zijn berekeningen aangetoond dat er een energie bestond dat niet met de gebruikelijke experimenten konden worden aangetoond. Planck heeft uiteindelijk een model ontwikkeld dat het mogelijk maakte om die energie te kwantificeren in een vaste constante en Einstein was de eerste die met het foto-elektrisch effect het bestaan van fotonen heeft aangetoond.
De metafysica gaat echter heel ver terug, zelfs verder dan Aristoteles. In zekere zin begon de metafysica met de uitspraken die door Parmenides zijn gedaan; deze gaan uit van het onveranderlijke, van het bestaan van de ene, 'alles is eenheid'. Parmenides ging uit van het onveranderlijke - omdat alles er altijd is geweest, kan het niets niet bestaan. Hiermee legde hij als filosoof een belangrijk punt bloot over het toepassen van menselijke logica. Het feit dat A bestaat betekent niet dat hiermee het bestaan van B kan worden ontkent. Deze filosofie wordt door Hegel uitgedragen is en is voornamelijk bekritiseerd door Kierkegaard.
Een ander belangrijk punt dat door Parmenides wordt uitgedragen, is die van beweging. Als de ruimte zou zijn opgebouwd uit een vaste matrix van materie, dan kon tijd niet bestaan. Ruimte dat niet bestaat uit materie is noodzakelijk voor het bestaan van het al, want anders zou materie niet kunnen bewegen en zou het concept van beweging in het begrip van het woord zoals wij dat kennen niet eens kunnen bestaan.
Toch geeft dit stof om over na te denken, vooral in het kader van de huidige kwantum mechanische inzichten. Het concept van absolute ruimte & absolute lineaire tijd is ontkracht met de relativiteitstheorie van Einstein. Kant had in zijn tijd de metafysica herschreven door het rationalisme voortkomend uit denkers als Decartes en Leibniz te vereenzelvigen met het empirisme van denkers als Hume en Locke. Maar Kant ging uit van een absolute tijd-ruimte; in zijn transcendentale filosofie stond het subject centraal als het kennend subject van een transcendentaal object. Voor de menselijke begripsvorming is dit een toepasbaar paradigma, door vanuit een kennend bewustzijn de wereld te leren kennen - door op basis van a priori wetten uitgaan van de existentie van een elementaire vorm van kennis. Maar het concept van de absolute tijd-ruimte is in het moderne wetenschappelijk tijdperk weerlegt. Afstanden zijn betrekkelijk en afhankelijk geworden van het referentiepunt. Waar men vroeger nog uitging van een ruimte dat altijd zou bestaan, heeft men nu ontdekt dat ook al blijft een ruimte bestaan vanuit een empirisch perspectief, op kwantum niveau is alle materie veranderlijk en onderhevig aan veranderingen.
De filosofische implicaties hiervan zijn lastig te plaatsen, vooral door na te gaan dat de natuurwetten zoals die geschreven zijn door Newton op het gebied van de klassieke mechanica nog steeds functioneel en zelfs actueel zijn! Dit geeft een hoop stof te denken, dat de materiële wereld zoals wij die kennen functioneert conform de beschrijving van de fenomenen volgens de klassieke natuurwetten, maar dat er op kwantum niveau nog een wereld bestaat dat invloed uitoefent op die van ons - is hier sprake van een dualiteit?
Misschien is het handiger om eerst de volgende vraagstelling op te werpen: wat is materie?
Binnen de oude grieken waren er twee die van mening waren dat onze wereld was opgebouwd uit ondeelbare deeltjes genaamd atomen; Democritus en Epicurus waren beiden aanhanger van de theorie dat materie was opgebouwd uit atomen. Dit was meer een mechanistisch model waarmee de werking van materie kon worden verklaard en dit stond dan ook lijnrecht tegenover het model dat door Parmenides werd aangedragen - 'alles is eenheid'. Als alles eenheid zou zijn, dan kan er geen elementaire bouw zijn van materie waar alles aan onderhevig is, want alles ís al eenheid.
De wetenschap heeft uiteindelijk in de 19e eeuw het bestaan van atomen kunnen plaatsen in de atoomtheorie, hiermee was het bestaan van atomen niet aangetoond, maar konden wel een scala aan fenomenen worden verklaard. Pas eind 19e eeuw kwam men tot de ontdekking van het bestaan van de subatomaire partikels - neutronen, elektronen en protonen. Deze ontdekking leidde uiteindelijk tot het onderzoek naar subatomaire deeltjes, waarbij Einstein uiteindelijk op het bestaan van fotonen belandde.
Het bestaan van quarks en andere elementaire deeltjes die deel uitmaken van het bestaan van het al, maken het beantwoorden van deze vraagstelling bijzonder moeilijk, zo niet onmogelijk. De britse filosoof John Locke was een aanhanger van de atoomtheorie, hij maakte op een zeer gedegen wijze onderscheid tussen materie en lichaam. In zijn werk An Essay Concerning Human Understanding heeft hij het volgende geschreven:
But we see, that though it be proper to say, there is one matter of alle bodies, one cannot say, there is one body of all matters: we familiarly say, one body is bigger than another, but it sounds so harsh (and I think is never used) to say, one matter is bigger than another. [...] For body stands for a solid extended figured substance, whereof matter is but a partial and more confused conception, it seeming to me to be used for the substance and solidity of body, without taking in its extension and figure: and therefore it is that speaking of matter, we speak of it always as one, because in truth, it expressly contains nothing but the idea of a solid substance, which is everywhere the same, everywhere uniform.De duitse filosoof Immanuel Kant had hier echter het volgende over te zeggen:
We zouden de ruimte eigenlijk geen compositum [samengestelde], maar een totum [geheel] moeten noemen, omdat de delen ervan alleen in het geheel mogelijk zijn en het geheel niet door de delen. [...] Omdat de ruimte niet iets is wat is samengesteld uit substanties (zelfs uit niet reële accidenten), zal er, als ik elke samenstelling in die ruimte ophef, niets overblijven, zelfs niet het punt; want dit punt is alleen mogelijk als grens van een ruimte, dus van een samengesteld iets. [...] We kunnen dus het bewijs voor de noodzaak van het enkelvoudige als bestanddeel van al het substantieel samengestelde [...] gemakkelijk bederven als we het te ver doorvoeren en zonder onderscheid voor al het samengestelde willen laten gelden, zoals inderdaad al dikwijls gebeurd is.Beide filosofen waren overduidelijk aanhangers van de theorie dat het bestaan van de ruimte is samengesteld uit ondeelbare 'punten' cq. 'enkelvoudige' die bij elkaar als geheel de ruimte vormen. Waar Locke praat over "matter" als analogie van ruimte, beschouwd hij body als hetgeen materie vorm geeft. Dit laat echter de suggestie open dat materie kan bestaan zonder lichaam. Wat nog interessanter maakt is dat er wordt verwezen naar een materia prima - een primaire materie. Oftewel, dit model impliceert dat er onderscheid wordt gemaakt tussen materie en primaire materie - iets wat tegenwoordig van toepassing is tussen elementaire deeltjes (atomen, protonen etc.) en kwantum deeltjes (quarks, fotonen etc.). Kan de vraagstelling nu worden beantwoord? Is materie hetgeen wat wordt opgevat in de breedste zin van het woord? Of kunnen kwantum deeltjes ook worden gerekend tot materie? Ik kies ervoor om kwantum deeltjes niet te rekenen tot het begrip van materie. Het moment dat kwantum deeltjes worden gerekend tot de materie, betekent dat er geen invloed kan worden uitgeoefend op de materie. En dan bevind ik mij op filosofisch glad ijs, dat ik graag in een volgende essay uitvoerig wil gaan behandelen. Voor nu wil ik eerst nog doorgaan over de vraagstelling m.b.t. dualiteit. De ontwikkelingen van de kwantum mechanica toont aan dat alle fenomenen die zich voortbewegen d.m.v. een golfbeweging (licht, geluid, warmte etc.) worden geconstitueerd door kwantumdeeltjes. Dit geeft stof te denken, blijkbaar is het mogelijk dat alle deeltjes zich gaan rangschikken, wat veroorzaakt dit? En wat levert de energie hiervoor? Zijn het de deeltjes zelf die de energie leveren? Schijnbaar wordt onder bepaalde condities op macroscopisch niveau (i.e. elementair niveau) een bepaalde kracht gegenereerd door de aanwezige materie op een dusdanige manier te manipuleren, waardoor het zich op een gewenste manier gaat bewegen. Geluidsgolven kunnen worden gestuurd en rangschikken zich naar de vaste materie in de vorm van een ruimte, ook bekend als de zgn. 'akoestiek'. De energie hiervoor wordt mogelijkerwijze constant doorgegeven van deeltjes op deeltje, waardoor de golf zich kan voortbewegen. Hetzelfde geldt ook voor warmte, hoeveel warmte zijn energie veel sneller afstaat aan de omgeving dan in het geval van geluid. Wellicht is dit te wijten aan de omvang van de energie en de manier van transmissie. Geluidsgolven bewegen zich volgens rechte lijnen, terwijl warmte een diffuse baan kent; zeer inefficiënt in termen van energiebehoud en dus zal warmte ook makkelijk worden overgedragen op de omgeving (en ook afhankelijk van het soort medium, maar dan ga ik extra variabelen introduceren die niet bijdragen aan de essentie van deze alinea). Licht is een interessant gegeven, Einstein heeft bewezen dat dit wordt bewerkstelligt door fotonen. Het is in feite een energietransmissie van fotonen en wij beschouwen cq. aanschouwen dit als licht. Ook licht kent een diffuse baan, dat zien wij als onze schaduwen. Het is een gegeven dat licht uit de zon wordt gecreëerd als een overschot aan energie afkomstig van de compositie van elementen en de afbraak van diezelfde elementen die vanwege de temperatuur in de zon instabiel worden en uiteen vallen in verschillende elementen. Een bijkomend product hiervan is licht. Het licht dat uit onze lamp komt is enkel de ophoping van elektronen, die eveneens diffuus energie gaan uitzenden in de vorm van licht. Hoe je het wend of keert, uiteindelijk beland ik constant bij het begrip energie. Deze derde wet van Newton is nog steeds actueel, al hoewel het gebruik van de wet discutabel is geworden vanwege de kwantum mechanica. Waar energie vroeger werd beschouwd als een substantie, wordt het tegenwoordig vrij snel beschouwd als een golf van deeltjes. Echter is tot heden onbekend wat voor deeltje(s) deze energie constitueert (afgezien van het gegeven dat licht wordt geconstitueerd door fotonen). Aristoteles heeft het begrip van energie vooralsnog opgevat als een methode voor het beschrijven van beweging. Zijn denken, zijn metafysische werken worden door veel mensen beschouwd als een zgn. "immanente" filosofie; de zoektocht naar God zoals Kant die ondernam, of de zoektocht naar het eeuwige goede van Plato is iets wat niet bestaat niet bij Aristoteles. Zijn ethiek is er een van deugdzaamheid; zijn metafysica is er een waarvan ik die beschouw als het begin van kwantum mechanica. Plato geloofde in een wereld achter de wereld - in een realiteit achter de realiteit. Aristoteles geloofde in een wereld binnen onze wereld - een materie binnen onze materia - de materia prima - de kwantumdeeltjes. Transcendentie is een metafysisch concept die Kant heeft ontwikkeld en waarop zijn transcendentale filosofie grotendeels op stoelt en staat haaks op het immanente denken. En deze tegenstelling ga ik in een volgende essay behandelen. Mijn vrienden, ik wens iedereen fijne paasdagen toe! Een dikke knuffel van jullie semi-filosoof, Halbe!
Labels:
Aristoteles,
Filosofie,
Immanuel Kant,
kwantum mechanica,
materie,
metafysica,
natuurkunde
donderdag 14 maart 2013
Filosofisch intermezzo - Mensenrechten der pedofilie
Men noemt diegene een vrijgeest die anders denkt dan men op grond van zijn afkomst, omgeving, stand en beroep, of op grond van de dan heersende opvattingen van hem verwacht. Hij is de uitzondering, de gebonden geesten zijn de regel; zij beschuldigen hem ervan dat zijn vrije principes ofwel hun oorsprong vinden in de zucht om op te vallen, of dat er zelfs vrije handelingen, dat wil zeggen, handelingen die onverenigbaar zijn met de gebonden moraal, uit afgeleid kunnen worden. Soms zegt men ook dat deze of gene vrije principes op een bizarre, overspannen geest teruggevoerd kunnen worden; maar zo praat alleen de boosaardigheid, die zelf niet gelooft in wat zij zegt, maar er schade mee wil toebrengen: want de getuigenis van zijn grote verstandelijke kwaliteiten en scherpzinnigheid laat zich meestal zo duidelijk van het gezicht van de vrijgeest aflezen, dat de gebonden geesten het maar al te goed begrijpen. - Friedrich Nietzsche - Menselijk al te Menselijk - Nederlandse vertaling door Thomas graftdijk, pagina 149.
De nederlandse samenleving anno 2013 blijft mij verbazen. Is het niet de manier waarop wij als samenleving een heksenjacht op internet zijn begonnen, zoals ik in mijn vorige blog op kritische wijze heb belicht, valt de samenleving over een fenomeen dat nog altijd veel stof doet opwaaien: pedofilie. Jeroen van Inkel presenteert een programma op Q music genaamd Ask me Anything. Het schijnt dat hij in dit programma al eerder vrij bijzondere gasten heeft gehad (zoals een voetbalhooligan, of iemand die aan morbide obesitas lijdt). Gisteren, woensdag 13 maart 2013, heeft hij echter een wel hele bijzonder gast, een pedofiel. En op het moment dat het grote publiek hiervan lucht kreeg, begonnen al de eerste doodsverwensingen jegens de pedofiel in kwestie. In de media was men al begonnen met het uitten van de nodige verwensingen. Iedereen vind het verwerpelijk dat een dergelijk persoon te gast is op een radioprogramma.
Het is natuurlijk twijfelachtig om te stellen wat de motiviatie is van Jeroen van Inkel om zo een persoon uit te nodigen in zijn programma. Wat ik echter intrigerend vond, was hetgeen zijn sidekick Eva Koreman te zeggen heeft over het fenomeen van pedofilie:
"Mijn stelling is dat iemand die seksuele handelingen verricht met een kind of naar kinderporno kijkt, moet worden gestraft en levenslang onder toezicht moet worden gesteld. Uiteraard. Maar er is ook een andere kant. Je zal er maar achter komen dat je op kinderen valt en daar niets aan kunnen doen. Het lijkt mij een verschrikking. Vervolgens vroegen sommige luisteraars of ik niet goed bij mijn hoofd ben. Ik bedoel het niet slecht, ik probeer me gewoon in anderen te verplaatsen"Wat ik enorm bizar vind is dat ondanks deze onderbouwing, mensen nog steeds het stereotype beeld van een pedofiel in hun hoofd hebben. Ik vraag mij af, hoe komt dit? Waarom wordt er met zulke argusogen gekeken naar mensen die een dergelijke diagnose hebben gekregen? En wat ik het meest frappant vind, waarom bestaan er überhaupt individuen die van mening zijn dat een pedofiel geen mensenrechten heeft? Op wat voor kromme beredenatie is deze uitspraak berust? Wat houdt pedofilie in? Pedofilie is volgens wikipedia het "seksueel primair aangetrokken voelen van volwassenen danwel adolescenten tot kinderen die nog niet geslachtsrijp zijn". Is dit gegeven strafbaar? Absoluut niet! Maar het is wel een ernstige kwestie, want een pedofiel is in potentie een seksueel roofdier; de persoon in kwestie ervaart gevoelens waarvan het bewust is dat het uitten van dergelijke gevoelens absoluut niet moreel verantwoord is. Een kleine zoektocht op het internet levert een interesante variëteit aan gegevens. Het toont op een wellicht nonchalante wijze aan hoe diverse individuen het internet (mis)gebruiken als een uitting van hun (vaak irrationele en dus ongefundeerde) mening. Vooral de zaken van Robert M. en zwemleraar Benno L. hebben een hoop stof doen opwaaien binnen onze samenleving. Wat mensen vaak niet realiseren is dat dergelijke individuen niet representatief zijn voor een bepaald "type mens"; niet iedere pedofiel is een Robert M. of Benno L. en zeker geen Marc Dutroux (let op de nuance dat dit individu wél met volledige naam en toenaam in de media wordt gerepresenteert). Daarnaast laat een kleine zoektocht op het internet een zeer belangrijke nuancering zien tussen het hebben van seksuele gevoelens en het uitten van deze, ook wel genoemd als pedoseksualiteit. In het artikel getiteld pedofilie: lastige lusten wordt op een zeer toegankelijke wijze een beeld gevormd van de psychologische, sociologische en antropologische facetten van pedofilie. In dit artikel wordt een overzicht opgesteld van een viertal potentiële oorzaken van pedofilie. 1. Psychoanalytica zoals Sigmund Freud beschouwen het als een verstoorde psychoseksuele ontwikkeling. Volgens Freud moet ieder individu een aantal seksuele ontwikkelingstadia doorlopen (orale, anale en genitale fase). Zijn hypothese is dat bij het individu waarbij deze ontwikkeling is verstoord, het individu zal blijven hangen in een bepaald stadium, danzelf een omgekeerde ontwikkeling doormaken (het teruggaan naar een eerdere fase). 2. De leertheoretici beschouwen pedofilie als een seksueel conditionerings - of leerproces. Leerthereotici zijn zogenaamde nurturedenkers, hun propositie is gebaseerd op John Locke's 'Tabula Rasa'; ieder kind is een blanco vel die zich leert te ontwikkelen naar gelang het interacties aangaat met diens omgeving. Hiervan uitgaande stellen zij dat bepaalde milieuomstandigheden (instabiele thuissituatie, sociaal isolement, negatief zelfbeeld etc.) bijdraagt aan de ontwikkeling van pedoseksuele neigingen. Mogelijkerwijze wordt dit verder aangestuurd vanuit het nature-fenomeen (i.e. de potentie voor pedoseksuele neigingen is een psychopathologie dat kan worden herleid naar een bepaalde neurologische configuratie - dit impliceert een genetisch defect waarvan de expressie afhangt van de milieuomstandigheden i.e. het nurture-effect. Expressie resulteert in de ontwikkeling van pedoseksualiteit). 3. Cognitieve psychologen beschouwen pedofilie als een effect van cognitieve vertekeningen en misattributies van de pedofiel in 'gunstige' situaties (heteroseksuele situaties). De persoon in kwestie heeft een scala aan negatieve ervaringen ondergaan in relaties die als maatschappelijk-acceptabel worden beschouwd en deze zijn op een dergelijke negatieve wijze geëindigd dat het individu deze ervaringen projecteert op de universele vorm van een volwassen relatie dat de persoon zich wend tot een ander soort object cq. vorm van relatie --> het aangaan van een relatie met kinderen. 4. Feministen beschouwen pedofilie als een cultureel bepaalde vorm van hypermasculiniteit. De persoon in kwestie geeft echter aan dat het formuleren van een theorie over de oorzaak van pedofilie heel moeilijk is vanwege de multi-causaliteit en heterogeniteit. Het uitgangspunt van dit artikel is de ernst van pedofilie vanuit een antropologisch perspectief beschouwt, alsmede de (maatschappelijke) bereidheid om hierover op een degelijke wijze een debat te kunnen voeren. Een hoop mensen raken verkrampt bij het horen van het woord "pedofiel"; mensen associëren dit woord direct met een scala aan negatieve begrippen, aan een seksueel roofdier dat enkel leeft om seks te hebben met kinderen - een persoon die niet op een normale wijze kan omgaan met kinderen. In dit artikel wordt verder verwezen naar een ander artikel dat is geschreven door een student filosofie genaamd Désiré Palmen. Zij heeft het artikel Pedofilie - het niet accepteren 'anders' zijn? - een ethische beschouwing op grond van wetenschappelijke gegevens. Hierover is de volgende quote opgesteld:
'Er is een aantal zaken dat hierbij een grote rol speelt. Als belangrijkste oorzaak wil ik de (sensationele, red.) berichtgeving via de media noemen.' (Palmen, 2001, p. 14) Volgens Palmen krijgen mensen gruwelijke verhalen voorgeschoteld, waaraan zij hun (eenzijdige) beeld over pedofilie ontlenen. 'Er zijn weinig mensen met echte kennis over het onderwerp.' (Palmen, 2001, p. 11) Palmen geeft aan dat veel mensen denken dat elke pedofiel een kinderverkrachter of zelfs een kinderdoder is. Volgens Palmen zorgen ook de taboes die kleven aan pedofilie voor hoogoplopende emoties bij mensen. 'Er zit een seksueel aspect aan, er is een kind bij betrokken, er wordt een generatiekloof overschreden en het beschikkingsrecht van ouders over hun kinderen wordt geweld aangedaan.'Het is dit éénzijdig beeld dat een voedingsbodem kan zijn voor verschillende individuen om op een onrechtmatige en zelfs onrechtvaardige wijze over te gaan tot acties. Pedojagers zijn mensen die op een ironische wijze het fenomeen van pedofilie verergeren - door hun idealen na te streven en pedofilie op een daadkrachtige wijze te bestrijden, zorgen zij ervoor dat mensen die pedofiel zijn worden gedwongen om zich ongemerkt te verplaatsen binnen onze samenleving, dat zij minder snel geneigd zijn om te zoeken naar professionele hulp. Het is dit gegeven dat bijdraagt aan de uiting van pedoseksualiteit - dat een pedofiel op een dergelijke wijze niet meer in staat is om zijn lusten te beteugelen en een slachtoffer gaat maken. Ieder individu die over gaat tot een dergelijke daad moet uiteraard worden gestraft hiervoor. Maar straffen is voor een pedofiel onvoldoende, het zal een complex traject moeten behandelen waarin het mogelijkerwijze voor de rest van zijn leven in strijd zal zijn met zijn eigen gevoelens. In feite is het heel triest, dat een dergelijk persoon noodgedwongen is om gevoelens te hebben voor een object waarvoor het vanuit een moreel perspectief geen gevoelens kan en mag hebben. Uit het tweede artikel wil ik dan ook de volgende quote onder de aandacht brengen:
We hebben gezien dat er mensen met een pedofiele geaardheid zijn die kinderen seksueel misbruiken. Er zijn echter ook pedofielen die elk seksueel contact met een kind heel duidelijk afwijzen. De respondenten uit mijn interviews zijn daar voorbeelden van.Dit gegeven draagt bij aan het vormen van een realiteitsgetrouw beeld van pedofielen, dat niet iedere pedofiel in potentie een seksueel roofdier is. Wat wellicht nog triester is, is het feit dat een slachtoffer van een dergelijke daad een verwerkingstraject moet doorlopen dat bestaat uit een combinatie van schaamte en de onmogelijkheid om op een dergelijke wijze te kunnen communiceren met diens omgeving. Diens omgeving zal enkel de ernst van de daad aanschouwen en berusten op diens woede jegens de aanstichter - de psychosociale en emotionele impact raakt op deze wijze ondergesneeuwt doordat het accent van de daad komt te liggen op het delict en niet op de psychologische effecten van een dergelijk delict. Ik heb verscheidene keren gehoord/gelezen dat er wordt gesuggereerd dat een persoon die ooit slachtoffer is geworden van pedofilie, zelf ook een pedofiel wordt. Helaas heb ik hierover weinig kunnen vinden en is dit wellicht eerder een simplistische verklaring van dit fenomeen dat enkel kan worden bereikt d.m.v. een kromme beredenatie. Wat rest mij nu nog te zeggen over dit thema? Weinig, toch wil ik de volgende quote uit het tweede artikel onder de aandacht brengen van mijn lezer:
Het lijkt erop dat de pedofiel de heks van onze tijd is geworden.Wellicht is deze quote iets uit zijn context getrokken, maar er bevindt zich wel degelijk een kern van waarheid in deze woorden. Het verkrampte emotionele individu weet zich geen houding aan te nemen jegens een pedofiel, in de veronderstelling dat het vroeg of laat kinderen zal misbruiken. De pedofiel is gevangen in zijn eigen lichaam, tussen zijn eigen gevoelens en zijn moraliteit - wetende dat seks met kinderen onacceptabel is. Belangrijk is echter dat wij als maatschappij het bestaan van de pedofiel erkennen, zoals zo mooi verwoord is in een artikel uit de volkskrant dat vorig jaar in november is gepubliceerd. Doen wij dit niet en gaan wij de pedofiel als een para van de maatschappij beschouwen, dan dragen wij zelf bij aan een potentiële verergering van het probleem. En wij hoeven ons geen zorgen te maken, maar het zijn onze kinderen die de effecten hiervan zullen ervaren. Mijn vrienden, dank voor het lezen van deze beladen blog. Ik kan me voorstellen dat enkele mensen op een zeker punt zijn gestopt met lezen, maar ik hoop uit de grond van mijn hart dat wij als maatschappij eens tot een constructief dialoog zullen kunnen komen. Uiteindelijk moeten wij toch met elkaar leren leven als maatschappij zijnde. Ik wens jullie allen een hele fijne dag toe! Een dikke knuffel van jullie semi-filosoof, Halbe!
Labels:
Filosofie,
mensenrechten,
pedofilie,
Psychologie,
samenleving,
sociologie
donderdag 28 februari 2013
Psychologisch intermezzo - Het individu vs. de groep
Zo worden we eindeloos van de object-ander terugverwezen naar de subject-ander en omgekeerd; nooit komt er een eind aan de wedloop en het is die wedloop, met zijn bruuske omkeringen van de richting, die onze relatie tot de ander constitueert. Ongeacht het moment waarop we in ogenschouw worden genomen, verkeren we in de ene of in de andere van die houdingen - onbevredigd zowel door de ene als door de andere; we kunnen ons korte of lange tijd handhaven in de aangenomen houding, afhankelijk van onze kwade trouwe of van de specifieke omstandigheden van onze geschiedenis, maar nooit zal ze aan zichzelf genoeg hebben; op een duistere manier verwijst ze altijd naar de andere. - Jean-Paul Sartre - Het zijn en het niet - Nederlandse vertaling door Frans de Haan, pagina 520.
In mijn vorige essay heb ik een sluitende conclusie kunnen vormen binnen het thema moraliteit vs. cultuur. Na een hele reeks essays die allemaal toegespitst waren op de verschillende factoren die uiteindelijk leiden tot moraliteit danwel cultuur is het mij gelukt om een volledig beeld te kunnen vormen van de interacties die plaatsvinden tussen het morele individu en hoe dit leidt tot de vorming van een morele cultuur. Waar ik echter aan voorbij gegaan ben, zijn de psychologische interacties tussen het individu en de groep. Het is wellicht interessant om deze psychologische interacties op filosofische wijze te onderzoeken.
De vraag is echter: waar te beginnen?. Het is praktisch om eerst het begrip "groep" af te kaderen cq. te definiëren. Wat houdt een groep in? In de eerste instantie is een groep een samengestelde hoeveelheid individuen. Dat betekent dat een groep een zeer groot abstract element bevat - een groep kan uit 3 mensen bestaan, maar ook uit 30. Grootte is niet inherent aan het begrip van "groep", maar dat betekent wel dat er meer individuen aanwezig zijn in de groep en dat kan zijn reflectie hebben op de variëteit aan interacties. Hoe meer individuen, hoe meer interacties, des te dynamischer zal de groep functioneren.
Dit is een interessant gegeven om op door te gaan. Een groep dat bestaat uit meer individuen, zal dynamischer functioneren. Dit is echter onder specifieke voorwaarden. Indien er sprake is van een collectieve handeling dat ten uitvoer moet worden gebracht zal een groep heel gericht en dus niet dynamisch functioneren. Ieder individu heeft een individuele inbreng, maar dat zal geen effect hebben op de uiteindelijke collectieve handeling dat als doel is gesteld. In die zin wordt het individu ondergeschikt gemaakt aan de groep. Dit is echter enkel onder de conditie van een collectief belang, waarbij het behalen van een bepaald doel voorop wordt gesteld.
Hoe anders is het als het individu zichzelf bepaald als individu zijnde, zichzelf beschouwt als een individu binnen een groep. In zekere zin splitst het zichzelf af van de groep, op het moment dat het zichzelf gaat beschouwen als een groep. Kun je dan nog wel spreken van het bestaan van een groep? Bestaat er eigenlijk überhaupt wel een groep? Is een groep niks meer dan een illusie?
Een groep bestaat wel degelijk, als psychologisch besef dat je als individu deel uitmaakt van een bepaald proces dat wordt gedeeld met andere individuen. Enkel dan bestaat een groep. Maar vanuit een filosofisch perspectief beschouwt bestaat een groep niet en is het enkel een illusoire visie dat wordt gedeeld met andere individuen. Maar als een groep vanuit een filosofisch perspectief niet bestaat, hoe kan dan wel een maatschappij en een cultuur bestaan? Zijn dit dan ook louter psychologische constructen? Een maatschappij is tenslotte niks meer dan het geheel van alle interacties die plaats vinden tussen individuen binnen een natie - cultuur is eerder aan bod gekomen in het filosofisch intermezzo over het begrip cultuur. Hierin heb ik de volgende definitie van cultuur nader toebelicht en filosofisch onderzocht op diens validiteit.
cultuur als existentieel fenomeen is een dynamisch sociologisch mechanisme dat veranderlijk is en per definitie onmogelijk kan worden behouden. Het existeert in het nu en nu is een ongedefinieerde tijdsperiode dat bestaat tussen het verleden en de toekomst.Dit biedt wellicht een nieuw licht op het door mij aangedragen probleem. Cultuur kan worden beschouwd als een existentieel fenomeen. Maatschappij en zelfs het hele concept van een groep kunnen eveneens vanuit dit perspectief op menselijke interacties worden beschouwd als een existentieel fenomeen. Voor de volledigheid van deze essay is het wellicht handig om primair te definiëren wat een existentieel fenomeen inhoudt. De term existentieel impliceert dat er sprake is van het bestaan van een zekere substantie. Het bestaan hiervan hoeft niet per definitie te worden waargenomen volgens de empirische weg - vanuit de natuurkunde en scheikunde is bewezen dat een substantie kan bestaan zonder te worden waargenomen d.m.v. onze zintuigen. Wat wij waarnemen met onze zintuigen is de realiteit zoals die wordt gevormd door de manier waarop wij onze wereld aanschouwen - het bestaan van een variëteit aan substanties is inherent aan het bestaan van onze wereld. Wat wij waarnemen zijn de effecten van het bestaan van deze substanties. Een dergelijk effect kan worden beschouwd als een fenomeen - een interactie tussen de aanschouwer en diens omgeving. Het bovenstaande gededuceert kan de volgende definitie worden gevormd van het begrip "existentieel fenomeen": 'een interactie van een aanschouwer met een bepaalde substantie van diens omgeving, begeleid door diens zintuigen waarmee het bestaan van die substantie al dan wel of niet direct of indirect wordt bevestigd.' Dit gegeven impliceert dat een existentieel fenomeen enkel kan bestaan als psychologische gewaarwording van de substantie in kwestie. Immers bestaan wij enkel als psychologisch bewustzijn. Maar dan blijft nog altijd het complexe paradigma bestaan van een individu dat zichzelf plaatst ten opzichte van andere individuen die zich als een groep beschouwen en zodoende zichzelf plaatsen onder de noemer "wij". Interessant gegeven is dat door het concept van een groep te reduceren tot een psychologische gewaarwording, het begrip "wij" wordt gereduceerd tot een illusoir beeld waarin het individu zichzelf ondergeschikt maakt aan de groep - vanuit een filosofisch perspectief beschouwt bestaat er überhaupt geen "wij". En toch blijven wij communiceren in termen van groepen, blijft het psychologisch idee van een groep individuen behouden. Wellicht dat dit te wijten is aan het feit dat wij de noodzaak van het bestaan van de ander erkennen. Niet alleen onze huidige samenlevingen, zelfs de oudste samenlevingen konden al een vorm van samenwerkingsverband. Al vanaf het vroegste bestaan van de mens wordt het bestaan van de groep als psychologisch proces ervaren als een positieve ontwikkeling - ieder individu kon zichzelf nuttig maken en zichzelf verdienstelijk maken naar de groep, waardoor de groep voor ieder individu op een collectieve wijze zou zorgen. In onze huidige samenlevingen is het niet veel anders. Er zijn volledige psychologische modellen ontwikkeld, waarin een aantal "rolmodellen" zijn opgesteld als een abstracte kwalificatie van menselijk gedrag op de werkvloer. Wij erkennen de diversiteit van de mens - ieder mens heeft zijn eigen talenten en het is raadzaam voor ieder mens om die ontplooien in de verwachting dat het individu op die manier een grote bijdrage kan leveren aan de groep. Door ontplooiing van het individu en diens bijdrage kan de groep bestaan en zal de groep op zijn beurt het individu onderhouden; in onze huidige samenlevingen bestaat de groep als analogie van organisaties en onderhoudt de organisatie het individu als analogie van uitbetaling van loon als beloning voor de uitvoering van de aangewezen werkzaamheden als analogie voor diens bijdrage aan de groep. Is het mogelijk om het paradigma van het individu vs. de groep te doorbreken? Of is dit inherent aan de menselijke existentie, dat er altijd een complexe verhouding zal bestaan tussen het individu en de groep? In feite wel. Los hiervan bestaat er een diversiteit aan interacties tussen het individu en de groep waarvan het loont om het verder op filosofische wijze te onderzoeken. Het doel hiervan is om vast te stellen of iedere interactie uniek in zijn bestaan is, of dat er een universeel model kan worden opgesteld dat fungeert als een universaliteit van de interacties tussen het individu en de groep. En dit, mijn vrienden, is iets wat ik in een volgende essay zal gaan onderzoeken. Voor nu wens ik jullie allen een hele fijne avond! Een dikke knuffel van jullie semi-filosoof, Halbe!
Labels:
Filosofie,
groepsvorming.,
individu,
Psychologie,
sociologie
dinsdag 26 februari 2013
Filosofisch intermezzo - Moraliteit vs. Cultuur
Onze tijd maakt de indruk van een interim-toestand; de oude wereldbeschouwingen, de oude culturen bestaan gedeeltelijk nog, de nieuwe zijn nog onzeker en niet ingeburgerd en daardoor nog geen afgeronde eenheid en weinig consequent. Het lijkt alsof alles chaotisch wordt, het oude verloren gaat, het nieuwe totaal niet deugt en steeds slapper wordt.[...] We wankelen, maar het is zaak daar niet angstig van te worden en het nieuw-verworvene prijs te geven. Bovendien kunnen we niet terug naar het oude, we hebben de schepen achter ons verbrand; het enige dat ons rest is dapper te zijn, waartoe dat ook mag leiden. - Als we maar doorlopen, als we maar van de plaats komen! - Friedrich Nietzsche - Menselijk al te menselijk - pagina 162 nederlandse vertaling Boom.
In mijn vorige blog heb ik een betoog gehouden over het concept moraliteit. Ik ben de afgelopen maanden bezig geweest met het vormen van een eigen begrip over dit complexe thema. Ik heb al verschillende essays hieraan gewijd, die allemaal de revue hebben gepasseerd in mijn vorige blog. Ik heb iedere essay zorgvuldig doorgenomen en de validiteit gecontroleerd van de verschillende aangedragen argumenten waarop de uiteindelijk conclusie van de desbetreffende essay op is gebaseerd. Het heeft geleid tot enkele verassende inzichten, waarvan de belangrijkste wellicht de ontdekking was dat de ideeënleer van Plato ontoereikend is voor het vormen van een concreet begrip van moraliteit beschouwd vanuit een metafysisch perspectief. Uiteindelijk heb ik besloten om het gestelde paradigma te behouden in zijn huidige vorm, met de onderliggende gedachte dat het is toespitst op een ander filosofisch systeem van Plato's ideeënleer.
Dan rest mij nu nog het afronden van het thema moraliteit, beschouwd vanuit een cultureel perspectief. Dit zal ik ten uitvoer brengen door de interacties tussen cultuur en het concept van moraliteit op een diepgaander niveau op een filosofische wijze te onderzoeken. Ik begin hiermee wederom bij mijn essay over het fenomeen van cultuur. In mijn vorige essay heb ik hierover de volgende conclusie kunnen trekken:
botsing van culturen leidt onherroepelijk tot het worden beïnvloed van de ene cultuur door de ander.Wat voor effect heeft dit gegeven op de vorming van moraliteit? De eerste gedachte is dat een botsing tussen culturen met diens normen, waarden en gebruiken onheroepelijk leidt tot een veranderde moraliteit zoals geldig is binnen diens cultuur. Wellicht is het handig om eerst een eenduidige definitie van moraliteit op te stellen. Tot heden heb ik het volgende gevormd van het begrip moraliteit: moraliteit - de noodzaak voor menselijke existentie en diens menselijkheid om gestelde normen en waarden te hanteren en handhaven om aldoende harmonie te creëeren tussen mensen. Is dit gegeven voldoende om te kunnen fungeren als een definitie van moraliteit? Of mist er nog een elementair facet van moraliteit? Eigenlijk voldoet deze omschrijving niet als men de interacties tussen mensen in beschouwing neemt. Er wordt verwezen naar menselijke existentie, maar voor het individu is het geen noodzaak, het wordt pas een noodzaak indien er sprake is van de vorming van een groep. Om te kunnen vaststellen welke normen er binnen een groep gelden, zal moraliteit gelden als de leidraad voor het instellen van die norm. Of is het omgekeerd? Een interessante denkwijze dat loont om verder uit te diepen. Ik begin hiermee bij mijn filosofisch intermezzo over Het begrip van cultuur. Hierin heb ik op een filosofische wijze de diverse facetten van cultuur onderzocht. Een interessant gegeven is de conclusie dat uiteindelijk het individu dat zich niet conformeert naar de geldende normen van de cultuur leidend zijn voor het aandragen van veranderingen in het gedachtengoed cq. gebruiken van een cultuur. Dit impliceert dat het individu in elke conditie leidend is voor het doorvoeren van veranderingen binnen een groep. Echter is het doorvoeren van veranderingen inherent aan een aantal onderliggende factoren. Primair is de essentie van het thema van groot belang. Indien het thema betrekking heeft op de hele groep en op een positieve bijdraagt aan de ontwikkeling, zal het veel sneller worden geïmplementeert dan wanneer het thema enkel bijdraagt aan de ontwikkeling van enkele individuen. Hoe kleiner de groep individuen is t.o.v. de grote groep, des te langzamer zal het nieuwe gedachtengoed een fundament verkrijgen binnen de groep en soms zelfs niet indien het draagvlak dusdanig minimaal is dat het geen meerwaarde heeft voor de groep om het idee te implementeren in diens gedachtengoed. In feite gaat de ontwikkeling van cultuur gepaard volgens dezelfde sociologische mechanismen als een democratie, ware het niet dat een democratie een staatsvorm is en cultuur een abstractie existentie is van de normen en waarden binnen een natie. Dit gezegd hebbende is de conclusie eenduidig: de moraliteit van het individu is geldend als de heersende norm binnen een cultuur. Dit impliceert dat het individu zal bepalen wat voor omgangsnormen met diens medemens wenselijk is en dat de existentie van moraliteit inherent is aan het bestaan van een groep mensen. Betekent dit dat het concept van menselijkheid een analogie is van moraliteit? In zekere zin wel, door het hanteren van een norm bepalen wij op transcendente wijze een deugdelijke omgang met elkander; de praktisering van deze omgang is onze menselijkheid. Is het dan in dit stadium mogelijk om een definitie op te stellen van moraliteit? Zeer zeker.
Moraliteit is de transcendente norm gesteld door het individu waarop wordt bepaald op wat voor wijze mensen op een deugdelijke wijze interacties aangaan met elkaar.Dit gegeven impliceert dat al onze normen en waarden zoals die voortkomen uit onze cultuur zijn gebaseerd op de moraliteit zoals die is opgesteld door het individu en dat leidt onheroepelijk tot harmonie tussen mensen, waarmee een natie op een ordelijke wijze kan voortbestaan. Chaos en anarchie zijn in dit perspectief beschouwt niks meer dan het gemis van een moraliteit onder groepen mensen, danwel een verkapte vorm van moraliteit waardoor het menselijk handelen wordt gedegradeerd tot een instinctieve wijze van existeren en het bewustzijn, dat in zekere zin fungeert als het fundament van moraliteit, ondergeschikt wordt gemaakt aan de instinctieve wijze van handelen. In mijn psychologisch intermezzo waarin ik een uiteenzetting heb gemaakt van het morele individu vs. cultuur ben ik uit gegaan van het karakter als de primaire eenheid van ons bewustzijn en de vorming van de intrinsieke morele lat. Dit gegeven onderstreept de onlosmakelijk ontwikkeling van een vorm van interacties tussen mensen dat indien er wordt voldaan aan een bepaalde invulling van deugdelijk handelen, dit kan worden gekwalificeerd als moraliteit. Daaropvolgend heb ik de volgende opmerkelijke samenvatting opgesteld:
De uiteindelijk vorming van het moraal als kind-zijnde tot het volwassen-zijnde, is echter weer een bijzondere interactie die het kind ten uitvoer brengt gedurende diens opvoeding en de kennis en (levens)wijsheid die het kind verkrijgt gedurende diens ontwikkeling tot het zijn van het individu. En dit moraal wordt mede gevormd door externe interacties met de omgeving en de gehanteerde normen en waarden die de samenleving aandraagt, als onderliggend mechanisme dat uitmondt in cultuur. Het individu is echter van substantieel belang voor het behoud van cultuur, want de reflectie van diens individuele normen en waarden is wat uiteindelijk de cultuur van een volk vormt.Dit is geheel in lijn met de ideeën van diverse filosofen, waarvan ik een belangrijke quote in mijn vorige essay heb geplaatst van Jean Paul Sartre. Zijn uitgangspunt is vooralsnog de noodzakelijke vrijheid van het individu. Het is door vrijheid dat wij genoodzaakt zijn om interacties aan te gaan met onze omgeving. Aldoende leidt dit tot de vorming van een bepaalde vorm van interacties. Dit gegeven impliceert dat moraliteit enkel kan bestaan vanuit het perspectief van vrijheid danwel de vrije wil van het individu, geheel in de lijn van Kant's denken. Het is door ons deugdelijk handelen dat wij vorm geven aan de methoden van onze interacties, aan de manier waarop wij onze samenlevingen vorm geven. Door het individu deugdelijk op te voeden, conform het karakter, zal er een "deugdelijke generatie" ontstaan vanuit diens interacties cq. invloed op de ontwikkeling van cultuur. Een "deugdelijke cultuur" is een utopie, dat wel degelijk realiteit kan worden. Uiteraard is het omgekeerde ook mogelijk. Indien een ondeugdelijke omgang met onze medemens de norm wordt van het individu, zal er een ondeugdelijke cultuur ontstaan. Dit is momenteel gaande gezien de ontwikkelingen o.a. uit het gegeven dat sociale media tegenwoordig als een digitale schandpaal worden gebruikt. Gelukkig zijn gedragingen zoals deze betrekkelijk en is het des te simpeler te stellen dat onze cultuur ondeugdelijke normen begint te vertonen, terwijl dit ook een incident kan zijn. Daarnaast is het louter in het belang van de maatschappij dat deugdelijk handelen cq. moraliteit een belangrijk fundament wordt van onze cultuur. Het is zoals eerder gesteld moraliteit dat primair bijdraagt aan de vorming van een maatschappij waarin ieder individu zichzelf volledig tot ontplooiing kan brengen zonder een ander schade te berokkenen. Juist daarom zal een dergelijke oproep tot een nationele protestactie zoals soms door een individu wordt geopperd nooit waarheid worden, is er nou eenmaal geen (moreel) draagvlak. De prikkel voor mensen om tot een dergelijke protestactie over te gaan ligt daarvoor veel te hoog. Het uitten van een mening daarentegen op een willekeurige webpagina is makkelijk en kost relatief weinig tijd. Juist daarom wordt er door een hoop mensen op een dergelijke wijze onvrede geuit, maar leidt dit niet tot een dergelijke actie. De vermeende volkswoede draagt niet bij aan de gewenste (deugdelijke) ontwikkeling van onze cultuur, dus laat ieder individu het bij het uitten van een mening om vervolgens over te gaan op de waan van de dag. Ok, nu begint het interessant te worden en wordt er een helder beeld gevormd. Uit het bovenstaande kan er een finale conclusie worden gededuceerd: de ontwikkeling van het individu is leidend voor de ontwikkeling van cultuur volgens dezelfde sociologische mechanismen als de ontwikkeling van een natie gebeurd volgens het democratisch bestel. Het morele individu is op haar beurt verantwoordelijk voor de morele ontwikkeling van de maatschappij, aangezien het individu leidend is voor de ontwikkeling van cultuur. Indien een ontwikkeling wenselijk is en er bestaat een groot draagvlak onder de bevolking, dan zal de nieuwe ontwikkeling vrij snel worden geïmplementeerd. Een voorwaarde is echter dat de gewenste ontwikkeling bijdraagt aan een verdere stabiele, morele samenleving. Moraliteit wordt in dit perspectief beschouwt als leidend voor de invoering van de ontwikkeling. Iedere ontwikkeling dat op een negatieve wijze bijdraagt aan de moraliteit van onze cultuur zal worden veroordeeld, met als doel het bijsturen van het individu dat diens moraliteit niet op dezelfde wijze beschouwt zoals transcendent door de cultuur van de natie ten uitvoer wordt gebracht conform diens menselijkheid. Mijn vrienden, ik dank u hartelijk voor het lezen van deze sluitende essay over moraliteit! Ik had niet verwacht dat het zoveel tijd in beslag zou nemen, maar desalniettemin was het de moeite waard. Uiteindelijk is het mij toch gelukt om een sluitende conclusie te kunnen vormen over moraliteit en diens interacties met cultuur. Ik wens jullie allen een hele fijne avond toe! Een dikke knuffel van jullie semi-filosoof, Halbe!
Labels:
cultuur,
ethiek,
Filosofie,
Moraliteit,
oordelend individu,
Psychologie,
sociologie
donderdag 31 januari 2013
Filosofisch intermezzo - Het concept moraliteit
Onze tijd maakt de indruk van een interim-toestand; de oude wereldbeschouwingen, de oude culturen bestaan gedeeltelijk nog, de nieuwe zijn nog onzeker en niet ingeburgerd en daardoor nog geen afgeronde eenheid en weinig consequent. Het lijkt alsof alles chaotisch wordt, het oude verloren gaat, het nieuwe totaal niet deugt en steeds slapper wordt.[...] We wankelen, maar het is zaak daar niet angstig van te worden en het nieuw-verworvene prijs te geven. Bovendien kunnen we niet terug naar het oude, we hebben de schepen achter ons verbrand; het enige dat ons rest is dapper te zijn, waartoe dat ook mag leiden. - Als we maar doorlopen, als we maar van de plaats komen! - Friedrich Nietzsche - Menselijk al te menselijk - pagina 162 nederlandse vertaling Boom.
In mijn vorige blog, een filosofisch intermezzo over het begrip cultuur, ben ik in mijn persoonlijke zoektocht om het concept van moraliteit volledig te begrijpen beland bij het opstellen van een begrip van cultuur. Het uitgangspunt was dat de moraliteit en diens ontwikkeling inherent is aan de cultuur dat door een natie wordt gedragen. Het doel van deze essay is om tot een sluitende conclusie (voorzover dat mogelijk is) te komen over het thema moraliteit. Zoals te lezen is in mijn vorige blog heb ik een volledig overzicht gemaakt van de diversiteit aan essays die ik heb gewijd aan dit thema. Elke keer heb ik het thema uit een ander perspectief beschouwt en elke keer ben ik een stap dichter gekomen bij een finale conclusie. Echter ben ik van mening dat een sluitende conclusie enkel ten uitvoer kan worden gebracht door te reflecteren op de diversiteit aan aangedragen argumenten. Ik zal ieder argument onder de loep nemen, vaststellen of de vraagstelling correct is uitgevoerd én beantwoorden of deze bijdraagt tot het vormen van een uiteindelijke conclusie.
Ik begin bij mijn essay over het fenomeen van cultuur. In dit betoog heb ik het eerste aanstalten gemaakt op het opzetten van een correcte beeldvorming over het concept van cultuur. Ik heb geen concrete vraagstelling opgesteld danwel beantwoord. Wat ik echter kan deduceren is het volgende belangrijke gegeven: botsing van culturen leidt onherroepelijk tot het worden beïnvloed van de ene cultuur door de ander.
Zoals we kunnen vaststellen uit mijn vorige essay, waarin ik een aantal elementen van cultuur heb benoemd, worden deze elementen aangetast door de botsing van culturen. Doordat mensen noodzakelijkerwijze worden geconfronteerd met een andere denkwijze, gaan mensen hun eigen denkwijze reflecteren op die andere denkwijze. Dit kan op twee manier een gevolg hebben: 1)de eigen cultuur wordt intenser aangedragen vanwege een intense afkeer jegens de andere denkwijze; 2)de eigen cultuur wordt bekritiseerd op punten waar verandering gewenst is en het aanschouwen van een andere denkwijze toont aan hoe een verandering concreet wordt gemaakt in een bepaalde gedragswijze.
Een interessante denkwijze is om verder te beredeneren hoe deze twee mogelijkheden hun effect zullen hebben op een samenleving. Eigenlijk vallen we dan terug op een wijze van beredeneren, waarin de som van individuen bepaald in wat voor mate een cultuur wordt beïnvloed. Dit is tevens een goed moment om onze visie verder te verbreden op een volgende essay, waarin ik een omschrijving heb gemaakt van de invloed van individuen op elkander en hoe dit resulteert in een collectieve gedachtenwijze dat wordt uitgedragen als cultuur zijnde.
In mijn essay waarin ik vanuit een psychologisch perspectief een betoog heb opgesteld tussen het morele individu en cultuur heb ik een primair begin gemaakt in het analyseren van de interacties tussen individuen en de uiteindelijke weergave op de cultuur. Mijn uitgangspunt in deze essay was het karakter. Vervolgens heb ik verschillende vraagstellingen opgeworpen die allen betrekking hebben op de ontwikkeling die een individu maakt gedurende diens opgroeien van een kind tot aan een volwassen persoon.
Een belangrijk gegeven is de stelling dat een kind in staat voor het opstellen van een intrinsieke morele lat louter op basis van empathie. Dit is denk ik een goed punt om eens tegen een kritisch licht te houden en onderzoeken of deze gedachtewijze valide is.
Voordat we verder gaan is het raadzaam om te beschouwen wat wij verstaan onder het begrip van een "intrinsieke morele lat". Intrinsiek impliceert dat de morele lat enkel betrekking heeft op intrinsieke betrekkingen. Dus dat betekent dat een kind enkel kennis kan hebben van hoe het zijn gedrag ten opzichte van andere mensen moet uitten. Het kind heeft verder geen enkel inzicht op externe betrekkingen, los van de associatiepatronen die het al vanaf jongs af aan heeft geleerd. Deze vormen bij elkaar de morele lat. Het leert associatiepatronen die worden onderbouwd op basis van empathie. Dit betekent dat empathie een voorwaarde is voor het kunnen opstellen van een morele lat. Een kind dat wegens een willekeurige oorzaak (bv. een genetisch defect) niet in staat is om gewaar te worden van zijn/haar eigen empathisch gedrag, zal dan ook andere associatiepatronen leren dan een kind dat wél gewaarwordt van zijn/haar eigen empathisch gedrag (en dus gaat huilen indien het kind een ander kind ziet huilen etc.).
Kunnen wij spreken over moraliteit? In feite wel ja, in die zin dat een intrinsieke morele lat een fundament creëert voor het ontwikkelen van een moraal. Pas indien een kind een moraal heeft ontwikkeld, zal het zijn/haar gedrag hieraan conformeren en zal er daadwerkelijk sprake zijn van de ontwikkeling van moraal gedrag. Echter is de ontwikkeling een lange weg die het individu moet afleggen. Het kind dat geen empathie kent, zal geen intrinsieke morele lat hebben. Dat betekent dat het ontwikkelen van een moraliteit lastig zal zijn, maar niet onmogelijk is! Een intrinsieke morele lat fungeert louter als een fundament, dat betekent niet dat er alsnog een vorm van moraliteit kan worden ontwikkeld. Associatiepatronen zijn vrij simpel te veranderen, vooral indien er sprake is van een hogere intelligentie zijn de associatiepatronen sneller vervormbaar en vergemakkelijkt dit de ontwikkeling van een moraliteit bij een kind, ook al kent het geen empathie.
Niet alleen kinderen zonder een intrinsieke morele lat zijn in staat om een moraliteit te ontwikkelen, zelfs volwassenen op leeftijd zijn in staat om alsnog een moraliteit te ontwikkelen! Wat het lastig maakt, is de afname in plasticiteit van de hersenen gedurende het verouderingsproces. Dit betekent dat hoe ouder iemand is, hoe moeilijker iemand leert, dus hoe moeilijker iemand zijn/haar gedrag kan aanpassen. Maar lastig betekent niet onmogelijk en indien er sprake is van een noodzaak voor het ontwikkelen van een bepaald moraal bij een bepaald individu, des te groter is de kans dat het zal slagen.
Interessant wordt het indien er sprake is van een volwassen persoon die geen empathie kent en ook nog eens nooit een moraal heeft ontwikkeld. In feite heeft zo een persoon een zekere vorm van moraal ontwikkeld. De vraag is of de vorm van moraal die de persoon in kwestie heeft ontwikkeld voldoende overeenkomt met het moraal zoals het maatschappelijk gewenst is van een volwassen persoon. Het lastige is dat er al sprake is van een neurologisch defect - de persoon in kwestie kent geen empathie, dus dan is het aannemelijk dat ook andere neurologische feedback-mechanismen niet optimaal functioneren. Afhankelijk van de ernst van het neurologisch defect is de persoon in kwestie in potentie een psychopaat. Het hoeft echter niet te betekenen dat de persoon in kwestie een psychopaat is geworden. Indien de persoon zich heeft ontwikkeld in een normaal milieu en in diens jeugd niet is blootgesteld aan afwijkende gedragspatronen van volwassenen, dan is de kans aannemelijk dat de mate van moraal dusdanig is ontwikkeld bij de persoon, ondersteunt door diens associatiepatronen, dat het op een degelijke manier zal kunnen functioneren in onze maatschappij.
Het spreekt voor zich dat het belang van associatiepatronen vrij groot is in deze kwestie. Zolang de persoon geen verband zal leggen tussen een bepaalde vorm van crimineel gedrag en eventuele beloningen die eruit kunnen voortkomen, zal de persoon in kwestie een zeker vorm van moraal hebben. Het interessante is dat dit geen echte moraal in de concrete zin van het woord is. Er is sprake van een pseudo-moraal, voortgebracht door associatiepatronen. Een echt moraal wordt begeleid door associatiepatronen, maar fungeert er niet als het fundament van. Bij een pseudo-moraal wordt het moraal gedrag enkel voortgebracht door de associatiepatronen waarin een persoon heeft geleerd dat het loont om goed en deugdelijk gedrag te vertonen. Voor deze essay heeft het geen zin om dit concept verder uit te diepen.
Ok, op dit moment hebben we diverse fundamentele facetten van moraal optimaal onderzocht d.m.v. een filosofisch onderzoek. In het desbetreffende essay dat aanleiding gaf voor dit onderzoek wordt uiteindelijk een primaire aanleg opgezet waarin de concepten van moraliteit en cultuur met elkaar verbind, of althans dat ik een verband heb ontdekt waarin het ene fenomeen invloed uitoefent op de ander. Ik ga hier in een later stadium over door, eerst wil ik nog de psychologische facetten van moraliteit verder uitdiepen door het concept van het rechtvaardigheidsgevoel op een filosofische wijze te onderzoeken. Dat heb ik ten uitvoer gebracht in mijn betoog over het begrip moraliteit vanuit een psychologisch perspectief beschouwt.
Ook in deze essay wordt het belang van empathie voor de ontwikkeling van het moraal onderstreept. Waar ik echter in mijn andere essay een direct verband heb gelegd tussen empathie en moraal, beschouw ik in deze essay empathie als funderend voor ons rechtvaardigheidsgevoel. Het loont voor de volledigheid van deze essay om hier nader over na te denken.
Laten we beginnen met de volgende vraagstelling: wat houdt het begrip rechtvaardigheidsgevoel in?
Rechtvaardigheidsgevoel is ten eerste absoluut geen objectief gegeven. Het is een gevoel, dus dat impliceert dat er sprake is van een individuele beleving dat per definitie subjectief wordt ervaren. Ten tweede volgt hieruit dat rechtvaardigheidsgevoel niet kan functioneren als een fundament van moraal; moraal is een semi-objectief gegeven. Ieder mens met een degelijk moraal is in staat om een objectief oordeel te vormen, een objectief oordeel kan niet worden gefundeerd op een rechtvaardigheidsgevoel vanwege de enorme variaties in de subjectieve ervaring van het rechtvaardigheidsgevoel.
Het is wel mogelijk dat op basis van het rechtvaardigheidsgevoel een objectieve vorm van rechtvaardigheid zich ontwikkeld. Ik heb al eerder expliciet duidelijk gemaakt dat het rechtvaardigheidsgevoel geen analogie is van rechtvaardigheid. Het gevoel is een buitenproportionele manier van oordelen en kent dan ook geen daadwerkelijke realiteitsgehalte, maar is louter gebaseerd op de realiteit van het individu. Rechtvaardigheid daarentegen beschouwt de te oordelen situatie uit diverse perspectieven en draagt dan ook bij aan het opstellen van een realiteitsgetrouw oordeel. Een persoon met een groot rechtvaardigheidsgevoel kan enkel een realiteitsgetrouw oordeel van rechtvaardigheid ontwikkelen indien de persoon in kwestie in staat is om diens intensiteit aan emoties te relativeren en op een rationele wijze te beredeneren.
Dit gezegd hebbende impliceert dat de mate van empathie niet inherent is aan de mate van het ontwikkelen van een realiteitsgetrouw rechtvaardigheidsoordeel. Rest ons om deze gegevens verder te trekken richting het moraal. Welke gedachtenwijze draagt het meest bij aan het ontwikkelen van een moraliteit? Of zijn beide even belangrijk voor het ontwikkelen van een moraliteit? Ik neig naar een evengroot belang van beiden. Een persoon met een integer rechtvaardigheidsgevoel zal altijd bewust zijn van zijn eigen gedrag, van de noodzaak voor het tonen van moraal gedrag. Maar een persoon die geen rechtvaardigheidsgevoel kent, maar wel op een rationele wijze kan oordelen over het handelen van een persoon beschikt over zo een integer moraal als de eerste persoon in kwestie. Het verschil zit hem echter in de ervaring. Een persoon die emoties betrekt (wat dus het geval is bij het rechtvaardigheidsgevoel) zal zich gevoelsmatiger veel meer betrokken voelen bij menselijke interacties dan iemand die enkel op een rationele wijze mensen benaderd. Echter staat dit volledig los van moraliteit en is dit louter toegespitst op het ervaren van moraal gedrag en het effect op andere mensen.
Dan zijn we uiteindelijk aangekomen bij de laatste essay waarin ik vanuit een filosofisch perspectief het begrip moraliteit nader heb onderzocht. Ook in deze essay ben ik gaan terugblikken op eerdere conclusies die ik heb opgesteld. Ik ben begonnen door het concept van moraliteit te beschouwen uit een metafysisch perspectief. Dit is een goed punt om bij stil te staan: is de metafysica van zo een groot belang om dit te betrekken in het opstellen van een begrip van het concept moraliteit?
Moraliteit an sich is een abstract fenomeen. Het beginsel van moraliteit kan uit een metafysisch perspectief worden beschouwd door een diepgaand filosofisch onderzoek uit te voeren dat betrekking heeft op de motieven achter de menselijke psyche. De franse filosoof Jean-Paul Sartre schreef hierover het volgende in zijn baanbrekend werk Het zijn en het niet, nederlandse vertaling door Frans de Haan, pagina 768:
"Maar de ontologie en de existentiële psycholanalyse [...] moeten aan de morele actor onthullen dat het zijn is waardoor de waarden bestaan. Dan zal de vrijheid zich van zichzelf bewust worden en zich in de angst ontdekken als de enige bron van de waarde en als het niet waardoor de wereld bestaat. Zodra de zoektocht naar het zijn en de toe-eigening van het zijn aan de vrijheid worden onthuld als haar mogelijkheden, zal door en in de angst vatten dat deze slechts mogelijk zijn tegen de achtergrondsmogelijkheid van andere mogelijkheden."Dit gegeven werpt direct een ander licht op het concept van moraliteit. Kunnen wij dit vereenzelvigen met Plato's Ideeën? In feite niet, omdat dit concept toegespitst is op een ander perspectief van moraliteit. Plato's Ideeën omvat de abstractie van universele concepten, op een compleet andere manier beschouwd als in andere filosofiën. Plato was van mening dat er naast het bestaan van onze wereld, nog een tweede wereld leefde dat analoog aan de onze liep. Op basis van de ideeënleer kan er worden toegewerkt naar een ideeël beeld van moraliteit. Jean-Paul Sartre daarentegen heeft zijn filosofie gefundeerd op de filosofie van Edmund Husserl's fenomenologie. De fenomenologie kan worden beschouwd als het verlengde van de filosofie van Immanuel Kant die met zijn Kritiek van de Zuivere Rede de metafysica heeft herschreven door op een unieke wijze het empirisme (het waarneembare) en het rationalisme (het vermogen voor beredenatie) te vermengen tot één idealistisch alomvattend systeem. Waar Kant echter een alomvattend filosofisch systeem heeft ontwikkeld, is Husserl zich gaan richten op het fenomeen en de unieke ervaring van het individu. Ok, wat betekent dit verder voor het stellen van een conclusie? Dat er eerst moet worden onderzocht of de rest van de vorige essay nog wel valide is. Plato's Ideeën zijn aangedragen als metafysisch systeem dat dient ter verklaring van het begrip moraliteit. Met dit nieuw verkregen inzicht op basis van Sartre's "zijn" is het raadzaam om eerst een kritische beschouwing te plaatsen over de hele essay. Een belangrijk punt is het vaststellen van een paradigma. Dit paradigma is als volgt opgesteld:
"het bestaan van alle menselijke interacties worden gereduceerd tot een metafysische substantie - ons hele menselijke bestaan wordt teniet gedaan door de onmogelijkheid om een invulling te geven aan ons bestaan, dit leidt onheroepelijk tot een diepgaande vorm van nihilisme en daaropvolgend een degradatie van elke vorm van menselijkheid en diens moraliteit. Terwijl het hier ons toch om te doen is, om vast te stellen of moraliteit als substantie kan bestaan of dat dit een menselijk begrip is dat enkel bestaat binnen menselijke interacties."Kunnen wij nog steeds stellen dat dit paradigma van toepassing is? In feite wel, het hele begrip van moraliteit is toegespitst op de aanname van het bestaan van de vrije wil. Dat is tevens het uitgangspunt van Sartre's "Zijn en niet", namelijk dat de vrijheid van ons zijn leidt tot het funderen van ons eigen bestaan en dat wij zelf verantwoordelijk zijn voor ons handelen. En dit lijkt mij een goed punt om dit essay te eindigen. Alle essay's zijn op hun validiteit m.b.t. het concept van moraliteit gecontroleerd. Hier en daar ben ik iets verdiepends gaan analyseren, om uiteindelijk tot de conclusie te komen dat ieder argument, afgezien van de betrekking van moraliteit op Plato's Ideeën, valide is. In de volgende blog zal ik dieper ingaan op de interacties die bestaan tussen moraliteit & cultuur. Mijn vrienden, ik wens ieder een hele fijne avond toe! Een dikke knuffel van jullie semi-filosoof, Halbe!
Labels:
empathie,
Filosofie,
Moraliteit,
Psychologie,
rechtspraak,
rechtvaardigheid
Abonneren op:
Posts (Atom)