Posts tonen met het label metafysica. Alle posts tonen
Posts tonen met het label metafysica. Alle posts tonen

zondag 31 maart 2013

Filosofisch intermezzo - Metafysica vs. Kwantum Mechanica

Het is naar weten dat alle mensen van nature streven. Een aanwijzing daarvoor is hun voorliefde voor de waarnemingen. Die voorliefde geldt de waarnemingen namelijk ook omwille van zichzelf, los van enig nut, en het meest van al de waarneming door middel van de ogen. Niet alleen namelijk om ons handelen mogelijk te maken, maar ook wanneer we geen handeling overwegen, verkiezen we het zien, durf ik te zeggen, boven alle andere waarnemingen. De oorzaak hiervan is dat vooral deze waarneming ons de dingen leert kennen en allerlei kenmerken laat zien.[...]
Ervaring heeft een aanzienlijke gelijkenis met kennis en techniek, maar in feite is het zo dat kennis en techniek bij mensen ontstaan op grond van ervaring. Ervaring is, in de woorden van Polus, de moeder van techniek, en onervarenheid baart toevalstreffers. Techniek ontstaat als uit een groot aantal inzichten die op ervaring betrekking hebben één algemene veronderstelling over alle vergelijkbare gevallen ontstaat. De veronderstelling dat Callias, wanneer hij aan een bepaalde ziekte lijdt, baat heeft bij een bepaald medicijn of een bepaalde behandeling, net als Socrates en een groot aantal andere individuen in dezelfde toestand, is een zaak van ervaring, maar de veronderstelling dat alle mensen die aan deze ziekte lijden en op de grond van één specifiek symptoom gedefinieerd worden - bijvoorbeeld als flegmatisch, cholerisch of intermitterend koortsig -, er baat bij hebben, is een zaak van techniek.
- Metafysica - Boek Alpha, Nederlandse vertaling door Dr. Ben Schomakers,pagina 79/81

De bovenstaande tekst is afkomstig uit een aantal werken van Aristoteles die bekend staan als 'De werken na de fysica'. Deze werken bespreken de fysica, het bestaan van het al. Niet vanuit een empirische visie, maar vanuit een elementaire propositie. Juist vanwege dit perspectief op de fysica zijn deze werken omgedoopt tot de metafysica - vrij vertaald in het nederlands als 'abstractum van de fysica'.
Metafysica neigt naar de wetenschap zoals wij die kennen als kwantum mechanica - de wetmatigheden van subatomaire deeltjes. Ik zeg expliciet neigt, want metafysica is nog altijd gebaseerd op logica, terwijl kwantum mechanica uitgaat van een wiskundige rangorde. Toch blijven beide vakgebieden mij enorm intrigeren, zeker gezien het gegeven dat de één gefundeerd is op onze ratio, terwijl de ander een tot heden lastig aan te tonen wetenschap is gebleven. Planck, Maxwell en Einstein waren in zekere zin de grondleggers van de kwantum mechanica. Maxwell had d.m.v. zijn berekeningen aangetoond dat er een energie bestond dat niet met de gebruikelijke experimenten konden worden aangetoond. Planck heeft uiteindelijk een model ontwikkeld dat het mogelijk maakte om die energie te kwantificeren in een vaste constante en Einstein was de eerste die met het foto-elektrisch effect het bestaan van fotonen heeft aangetoond.

De metafysica gaat echter heel ver terug, zelfs verder dan Aristoteles. In zekere zin begon de metafysica met de uitspraken die door Parmenides zijn gedaan; deze gaan uit van het onveranderlijke, van het bestaan van de ene, 'alles is eenheid'. Parmenides ging uit van het onveranderlijke - omdat alles er altijd is geweest, kan het niets niet bestaan. Hiermee legde hij als filosoof een belangrijk punt bloot over het toepassen van menselijke logica. Het feit dat A bestaat betekent niet dat hiermee het bestaan van B kan worden ontkent. Deze filosofie wordt door Hegel uitgedragen is en is voornamelijk bekritiseerd door Kierkegaard.
Een ander belangrijk punt dat door Parmenides wordt uitgedragen, is die van beweging. Als de ruimte zou zijn opgebouwd uit een vaste matrix van materie, dan kon tijd niet bestaan. Ruimte dat niet bestaat uit materie is noodzakelijk voor het bestaan van het al, want anders zou materie niet kunnen bewegen en zou het concept van beweging in het begrip van het woord zoals wij dat kennen niet eens kunnen bestaan.
Toch geeft dit stof om over na te denken, vooral in het kader van de huidige kwantum mechanische inzichten. Het concept van absolute ruimte & absolute lineaire tijd is ontkracht met de relativiteitstheorie van Einstein. Kant had in zijn tijd de metafysica herschreven door het rationalisme voortkomend uit denkers als Decartes en Leibniz te vereenzelvigen met het empirisme van denkers als Hume en Locke. Maar Kant ging uit van een absolute tijd-ruimte; in zijn transcendentale filosofie stond het subject centraal als het kennend subject van een transcendentaal object. Voor de menselijke begripsvorming is dit een toepasbaar paradigma, door vanuit een kennend bewustzijn de wereld te leren kennen - door op basis van a priori wetten uitgaan van de existentie van een elementaire vorm van kennis. Maar het concept van de absolute tijd-ruimte is in het moderne wetenschappelijk tijdperk weerlegt. Afstanden zijn betrekkelijk en afhankelijk geworden van het referentiepunt. Waar men vroeger nog uitging van een ruimte dat altijd zou bestaan, heeft men nu ontdekt dat ook al blijft een ruimte bestaan vanuit een empirisch perspectief, op kwantum niveau is alle materie veranderlijk en onderhevig aan veranderingen.

De filosofische implicaties hiervan zijn lastig te plaatsen, vooral door na te gaan dat de natuurwetten zoals die geschreven zijn door Newton op het gebied van de klassieke mechanica nog steeds functioneel en zelfs actueel zijn! Dit geeft een hoop stof te denken, dat de materiële wereld zoals wij die kennen functioneert conform de beschrijving van de fenomenen volgens de klassieke natuurwetten, maar dat er op kwantum niveau nog een wereld bestaat dat invloed uitoefent op die van ons - is hier sprake van een dualiteit?
Misschien is het handiger om eerst de volgende vraagstelling op te werpen: wat is materie?
Binnen de oude grieken waren er twee die van mening waren dat onze wereld was opgebouwd uit ondeelbare deeltjes genaamd atomen; Democritus en Epicurus waren beiden aanhanger van de theorie dat materie was opgebouwd uit atomen. Dit was meer een mechanistisch model waarmee de werking van materie kon worden verklaard en dit stond dan ook lijnrecht tegenover het model dat door Parmenides werd aangedragen - 'alles is eenheid'. Als alles eenheid zou zijn, dan kan er geen elementaire bouw zijn van materie waar alles aan onderhevig is, want alles ís al eenheid.
De wetenschap heeft uiteindelijk in de 19e eeuw het bestaan van atomen kunnen plaatsen in de atoomtheorie, hiermee was het bestaan van atomen niet aangetoond, maar konden wel een scala aan fenomenen worden verklaard. Pas eind 19e eeuw kwam men tot de ontdekking van het bestaan van de subatomaire partikels - neutronen, elektronen en protonen. Deze ontdekking leidde uiteindelijk tot het onderzoek naar subatomaire deeltjes, waarbij Einstein uiteindelijk op het bestaan van fotonen belandde.
Het bestaan van quarks en andere elementaire deeltjes die deel uitmaken van het bestaan van het al, maken het beantwoorden van deze vraagstelling bijzonder moeilijk, zo niet onmogelijk. De britse filosoof John Locke was een aanhanger van de atoomtheorie, hij maakte op een zeer gedegen wijze onderscheid tussen materie en lichaam. In zijn werk An Essay Concerning Human Understanding heeft hij het volgende geschreven:
But we see, that though it be proper to say, there is one matter of alle bodies, one cannot say, there is one body of all matters: we familiarly say, one body is bigger than another, but it sounds so harsh (and I think is never used) to say, one matter is bigger than another. [...] For body stands for a solid extended figured substance, whereof matter is but a partial and more confused conception, it seeming to me to be used for the substance and solidity of body, without taking in its extension and figure: and therefore it is that speaking of matter, we speak of it always as one, because in truth, it expressly contains nothing but the idea of a solid substance, which is everywhere the same, everywhere uniform.
De duitse filosoof Immanuel Kant had hier echter het volgende over te zeggen:
We zouden de ruimte eigenlijk geen compositum [samengestelde], maar een totum [geheel] moeten noemen, omdat de delen ervan alleen in het geheel mogelijk zijn en het geheel niet door de delen. [...] Omdat de ruimte niet iets is wat is samengesteld uit substanties (zelfs uit niet reële accidenten), zal er, als ik elke samenstelling in die ruimte ophef, niets overblijven, zelfs niet het punt; want dit punt is alleen mogelijk als grens van een ruimte, dus van een samengesteld iets. [...] We kunnen dus het bewijs voor de noodzaak van het enkelvoudige als bestanddeel van al het substantieel samengestelde [...] gemakkelijk bederven als we het te ver doorvoeren en zonder onderscheid voor al het samengestelde willen laten gelden, zoals inderdaad al dikwijls gebeurd is.
Beide filosofen waren overduidelijk aanhangers van de theorie dat het bestaan van de ruimte is samengesteld uit ondeelbare 'punten' cq. 'enkelvoudige' die bij elkaar als geheel de ruimte vormen. Waar Locke praat over "matter" als analogie van ruimte, beschouwd hij body als hetgeen materie vorm geeft. Dit laat echter de suggestie open dat materie kan bestaan zonder lichaam. Wat nog interessanter maakt is dat er wordt verwezen naar een materia prima - een primaire materie. Oftewel, dit model impliceert dat er onderscheid wordt gemaakt tussen materie en primaire materie - iets wat tegenwoordig van toepassing is tussen elementaire deeltjes (atomen, protonen etc.) en kwantum deeltjes (quarks, fotonen etc.).
Kan de vraagstelling nu worden beantwoord? Is materie hetgeen wat wordt opgevat in de breedste zin van het woord? Of kunnen kwantum deeltjes ook worden gerekend tot materie? Ik kies ervoor om kwantum deeltjes niet te rekenen tot het begrip van materie. Het moment dat kwantum deeltjes worden gerekend tot de materie, betekent dat er geen invloed kan worden uitgeoefend op de materie. En dan bevind ik mij op filosofisch glad ijs, dat ik graag in een volgende essay uitvoerig wil gaan behandelen.
Voor nu wil ik eerst nog doorgaan over de vraagstelling m.b.t. dualiteit. De ontwikkelingen van de kwantum mechanica toont aan dat alle fenomenen die zich voortbewegen d.m.v. een golfbeweging (licht, geluid, warmte etc.) worden geconstitueerd door kwantumdeeltjes. Dit geeft stof te denken, blijkbaar is het mogelijk dat alle deeltjes zich gaan rangschikken, wat veroorzaakt dit? En wat levert de energie hiervoor? Zijn het de deeltjes zelf die de energie leveren?
Schijnbaar wordt onder bepaalde condities op macroscopisch niveau (i.e. elementair niveau) een bepaalde kracht gegenereerd door de aanwezige materie op een dusdanige manier te manipuleren, waardoor het zich op een gewenste manier gaat bewegen. Geluidsgolven kunnen worden gestuurd en rangschikken zich naar de vaste materie in de vorm van een ruimte, ook bekend als de zgn. 'akoestiek'. De energie hiervoor wordt mogelijkerwijze constant doorgegeven van deeltjes op deeltje, waardoor de golf zich kan voortbewegen.
Hetzelfde geldt ook voor warmte, hoeveel warmte zijn energie veel sneller afstaat aan de omgeving dan in het geval van geluid. Wellicht is dit te wijten aan de omvang van de energie en de manier van transmissie. Geluidsgolven bewegen zich volgens rechte lijnen, terwijl warmte een diffuse baan kent; zeer inefficiënt in termen van energiebehoud en dus zal warmte ook makkelijk worden overgedragen op de omgeving (en ook afhankelijk van het soort medium, maar dan ga ik extra variabelen introduceren die niet bijdragen aan de essentie van deze alinea).
Licht is een interessant gegeven, Einstein heeft bewezen dat dit wordt bewerkstelligt door fotonen. Het is in feite een energietransmissie van fotonen en wij beschouwen cq. aanschouwen dit als licht. Ook licht kent een diffuse baan, dat zien wij als onze schaduwen. Het is een gegeven dat licht uit de zon wordt gecreëerd als een overschot aan energie afkomstig van de compositie van elementen en de afbraak van diezelfde elementen die vanwege de temperatuur in de zon instabiel worden en uiteen vallen in verschillende elementen. Een bijkomend product hiervan is licht.
Het licht dat uit onze lamp komt is enkel de ophoping van elektronen, die eveneens diffuus energie gaan uitzenden in de vorm van licht.

Hoe je het wend of keert, uiteindelijk beland ik constant bij het begrip energie. Deze derde wet van Newton is nog steeds actueel, al hoewel het gebruik van de wet discutabel is geworden vanwege de kwantum mechanica. Waar energie vroeger werd beschouwd als een substantie, wordt het tegenwoordig vrij snel beschouwd als een golf van deeltjes. Echter is tot heden onbekend wat voor deeltje(s) deze energie constitueert (afgezien van het gegeven dat licht wordt geconstitueerd door fotonen).
Aristoteles heeft het begrip van energie vooralsnog opgevat als een methode voor het beschrijven van beweging. Zijn denken, zijn metafysische werken worden door veel mensen beschouwd als een zgn. "immanente" filosofie; de zoektocht naar God zoals Kant die ondernam, of de zoektocht naar het eeuwige goede van Plato is iets wat niet bestaat niet bij Aristoteles. Zijn ethiek is er een van deugdzaamheid; zijn metafysica is er een waarvan ik die beschouw als het begin van kwantum mechanica. Plato geloofde in een wereld achter de wereld - in een realiteit achter de realiteit. Aristoteles geloofde in een wereld binnen onze wereld - een materie binnen onze materia - de materia prima - de kwantumdeeltjes. Transcendentie is een metafysisch concept die Kant heeft ontwikkeld en waarop zijn transcendentale filosofie grotendeels op stoelt en staat haaks op het immanente denken. En deze tegenstelling ga ik in een volgende essay behandelen.

Mijn vrienden, ik wens iedereen fijne paasdagen toe! Een dikke knuffel van jullie semi-filosoof, Halbe!

dinsdag 30 oktober 2012

Filosofisch intermezzo - Het begrip moraliteit

De regel van het oordeelsvermogen onder de wetten van de zuivere praktische rede is de volgende: vraag jezelf af of je de handeling die je je voorneemt, kunt beschouwen als door jouw wil mogelijk, wanneer ze zou moeten plaatsvinden volgens een wet van de natuur waarvan je zelf deel uitmaakt. In feite beoordeelt iedereen volgens deze regel of handeling zedelijk goed of kwaad zijn. Zo zegt men: als iedereen zich veroorlooft te bedriegen wanneer hij daarmee zijn voordeel denkt te doen, of zich bevoegd acht het eigen leven te beëindigen zodra het hem vokomen tegenstaat, of met volstrekte onverschilligheid andermans ellende gadeslaat; en jij zou deel uitmaken van zo'n orde der dingen, zou dat dan met instemming van je wil zijn? - Immanuel Kant - Kritiek van de praktische rede - Pagina 114, Nederlandse vertaling Boom.

In mijn vorige blog ging mijn betoog over de psychologische facetten van het begrip moraliteit. Ik ben er niet volledig in geslaagd in mijn pogingen om exclusief over de psychologische mechanismen achter het concept van moraliteit te schrijven, maar dat is eerder te wijten aan de onlosmakelijk verbintenis tussen de psychologische facetten en de filosofische facetten van het begrip moraliteit.
Laten we binnen dit kader eerst eens reflecten op het begrip moraliteit. Ik heb in mijn vorig betoog het volgende geschreven:
elke situatie waarin een individu onrecht is aangedaan, wordt door de psychologische beleving ernstiger ervaren dan de ernst van het delict.[...]Slecht is pas van toepassing als er vanuit het perspectief van rechtvaardigheid cq. rechtspraak sprake is van een delict.
Goed en slecht zijn vanuit het psychologisch perspectief beschouwt oordelen die wij plaatsen over het handelen van een individu. De vraag die ik echter vandaag wil behandelen is de volgende: bestaan de substanties goed & slecht of zijn dit psychologische mechanismen die alleen bestaan binnen menselijke betrekkingen en tot uiting komen in de menselijke moraliteit? Om deze vraagstelling volledig te kunnen beantwoorden ga ik vandaag door over de filosofische implicaties.

Laten we eerst beginnen met het concept van menselijke betrekkingen, wat houdt dit in?
Menselijke betrekkingen zijn de interacties tussen mensen op een metafysisch niveau. Het omvat het begrip tussen mensen zonder dat er sprake is van communicatie. Wie heeft niet meegemaakt dat jij een situatie observeert en je kijkt naar een andere observator, jullie kijken elkaar aan zonder iets te zeggen en toch begrijpen jullie elkaar? Het klopt dat het een gevaarlijke uitspraak is om ervan uit te gaan dat er sprake is van een wederzijds begrip, zonder dit te hebben bevestigd. Toch is ook een begrip als "bevestiging" een betrekkelijk begrip. Het bevestigen van iets impliceert het doen van een uitspraak dat betrekking heeft op een idee en door te praten (communiceren) met een ander persoon is er sprake van een informatieoverdracht. Als de informatieoverdracht met onderliggende ideeën overeenkomen met de originele die de primaire persoon in gedachten had, dan is er sprake van een bevestiging.
Dit toont aan dat menselijke betrekkingen een andere benaming zijn voor Plato's ideeën. In het boek Plato's Philosophers door Catherine H. Zuckert lees ik het volgende:
What Socrates' questions show is that Zeno's argument that one cannot maintain that more than one "thing" is without contradicting himself, because the many must be said to be both like and unlike, itself depends on his positing of opposites, that is, two things - like and unlike. Zeno's negative conclusion that there cannot be more than one, because more than one would have to be both like and unlike, and like and unlike are mutually exclusive, contradicts his positive premisse that the mutually exclusive like and unlike are not and can never be one.[...]
Socrates readily agreed that there are ideas of the general standards we use to differentiate kinds or states of being - for example, like and unlike, many and one, rest and motion - and of the just, the good and the noble. These qualities are clearly not sensible in themselves (although it is by no means clear that we can perceive them directly in themselves without any experience of the sensible things that participate in them).
Plato's Ideeën zijn een representatie van de universaliteit van menselijke begrippen - menselijke begrippen die bestaan op een metafysische niveau. Hieropvolgend is het voor de verdere begripsvorming praktisch om een omschrijving te geven van metafysica dat naar mijn idee het beste op de volgende manier kan worden omschreven: metafysica omvat het bestaan van substanties in het bovenzintuigelijke bestaan van het al - het existeert terwijl wij het niet direct kunnen waarnemen, wij kunnen het alleen indirect waarnemen in een andere vorm dan het daadwerkelijk bestaat dan de originele vorm van het 'zijn'.
Het lastige aan een uitspraak als deze is dat hiermee het bestaan van alle menselijke interacties worden gereduceerd tot een metafysische substantie - ons hele menselijke bestaan wordt teniet gedaan door de onmogelijkheid om een invulling te geven aan ons bestaan, dit leidt onheroepelijk tot een diepgaande vorm van nihilisme en daaropvolgend een degradatie van elke vorm van menselijkheid en diens moraliteit. Terwijl het hier ons toch om te doen is, om vast te stellen of moraliteit als substantie kan bestaan of dat dit een menselijk begrip is dat enkel bestaat binnen menselijke interacties.

De vraag is nu: hoe kunnen wij ontsnappen aan dit paradigma? Is het mogelijk om de existentie van menselijke interacties te erkennen als een metafysische manifestatie van 'zijn' en toch tegelijk de moraliteit te behouden?
Laten we eerst veronderstellen dat het bestaan van Plato's Ideeën reëel is, dat elke vorm van menselijke interactie een fenomeen is waarbij het zijn zich omvormt naar de aard van de situatie - indien er sprake is van een fenomeen dat onze walging oproept, dat de walging die het fenomeen uitstraalt een zijnsmanifestatie is. Hoe zit het dan met moraliteit?
Moraliteit is een analogie voor deugdzaam handelen. Maar om deugdzaam te kunnen handelen, moet er sprake zijn van een norm dat moet worden gehanteerd. Het opstellen van deze norm is een abstracte aangelegenheid dat verder betrekking heeft op mijn vorige blog waarin ik een betoog heb geschreven over het dynamische verband tussen een individu en diens cultuur. Het is uitermate interessant om te ontdekken hoe belangrijk de culturele opvattingen zijn voor de vorming van de moraliteit van het individu. Dit gezegd hebbende vraag ik mij af: is de cultuur leidend voor de ontwikkeling van het moraal, of is de moraal leidend voor de ontwikkeling van cultuur? Het loont voor de volledigheid van dit intermezzo om hier dieper over na te denken.

Ik heb geen behoefte om delen van mijn vorige blog te herhalen, maar er is 1 ding dat ik eruit wil belichten.
De uiteindelijk vorming van het moraal als kind-zijnde tot het volwassen-zijnde, is echter weer een bijzondere interactie die het kind ten uitvoer brengt gedurende diens opvoeding en de kennis en (levens)wijsheid die het kind verkrijgt gedurende diens ontwikkeling tot het zijn van het individu.
Het morele individu wordt gevormd door diens ontwikkeling die het maakt van kind tot aan volwassen. De primaire ingeving dat leidt tot het vormen van het moraal is de opvoeding die het kind krijgt, dit zou kunnen worden beschouwd als een metafysische vorm van moraal. Het wordt van ouder op kind overgedragen door een communicatiekanaal. Het omvat een construct van menselijke gedragsvormen die moeten worden gehanteerd en fungeren als norm. Het kind verkrijgt kennis van de ouder en zal het, afhankelijk van diens bewustzijnvorming, aan een intrinsieke morele lat letten. Deze intrinsieke morele lat is een analogie van de psychologische vorm van het moraal, dat wordt gevormd in het verlengde van de neurologische opmaak van de hersenen van het individu.
In feite kunnen wij nu dus antwoord geven op de eerder gestelde vraag. Ervan uitgaande dat een individu trouw blijft aan diens primaire morele opvattingen zal het moraal leidend zijn voor de vorming van cultuur. Helaas leert de ervaring doordat groepsdruk krachtiger van aard is in die zin dat er meer druk wordt uitgeoefend op het individu, om zich te laten conformeren naar de norm, waardoor de individuele invulling van het moraal teniet wordt gedaan. Cultuur kan worden beschouwd als een vorm van groepsdruk - in dit licht bezien kan er worden veronderstelt dat cultuur dient als instigatie voor het niet hanteren van diens persoonlijke moraal en diens gedrag gaat conformeren naar het moraal en diens normen die a-specifiek binnen de groep heerst.
Indien het cultuur de ruimte toelaat voor de invididuele invulling van moraal kan er een individueel moraal blijven bestaan en zal dit leidend zijn voor de primaire ontwikkeling van cultuur. Maar indien de opvattingen van het individuele moraal niet worden gedeeld door anderen, zal de psychologische culturele druk leiden tot een herrangschikking van diens individuele moraal en zal de groepsmoraal als leidend worden beschouwd.
De metafysische manifestatie van moraliteit blijft bestaan, maar de vorm waarin deze tot uiting komt is afhankelijk van de context.

Het begrip moraliteit is nu vanuit ieder facet van zijn bestaan belicht, voorzover dit mogelijk is binnen de beperkingen van dit betoog. Het enige wat ons nu rest is het beantwoorden van de vraagstelling waarmee dit betoog werd begonnen.
Mijn eerste ingeving is om goed en slecht nog altijd te beschouwen als menselijke oordelen. De natuur is illustrerend hiervoor. Als wij zien hoe een leeuw zijn prooi besluipt en deze uiteindelijk achtervolgt en doodt, dan vinden wij dit zielig. Waarom vinden wij het zielig? Omdat wij medelijden hebben dat een dier dood gaat. Toch is dit een volstrekte onzinnige uitspraak, het enige wat wij doen is onze menselijke-werkelijkheid reflecteren op het dier. Het is aannemelijk dat het dier over een bepaald bewustzijn beschikt met een diversiteit aan cognitieve functies. Ik ga dit betoog niet verder uitbreiden door dieper in te gaan op de filosofische implicaties van gewaarwording van bewustzijn. Maar als we teruggaan naar het voorbeeld van de leeuw die zijn prooi doodt, dan is dit niks meer dan logisch. Een leeuw moet eten dus gaat het jagen. Vooral als het ook nog eens kinderen heeft en dus monden moet voeden, dan heeft het een extra impuls dat het dier aandringt om op jacht te gaan.
Vanuit ons menselijk perspectief noemen wij het doden van een dier slecht. Maar vanuit het perspectief gericht op de natuur en diens werking is het helemaal niet slecht, maar is het enkel de werking van de natuur en zijn goed en slecht menselijke oordelen die wij vellen over een waargenomen situatie.

Als mensen zijn wij dusdanig ontwikkeld dat wij cognitieve vermogens hebben ontwikkeld dat ons in staat stelt om ons bewustzijn te reflecteren op de buitenwereld en hiermee een dynamische interactie mee aan te gaan. Doordat wij kennis hebben vernomen van onze vermogens zijn wij als mensheid gaan ontwikkelen en hebben wij onze samenlevingen zo ver ontwikkeld dat het heeft geleid tot alle moderne samenlevingen dat onze planeet rijk (arm) is. Door ethiek hebben wij inzicht ontwikkeld in balans, dat het bestaan van het een het bestaan van de ander in verdrukking kan brengen, maar dat er ook een balans kan worden gecreëerd tussen beide factoren, waardoor beiden gezamenlijk kunnen bestaan. Door een mens een volwaardig bestaan te gunnen, moet het het bestaan van de ander ook een volwaardig bestaan gunnen. Door de ander onrecht aan te doen (bv. door te stelen) moet het een straf ondergaan - een straf dat inherent is aan de ernst van de gedane onrecht. Ik ga hier niet verder over uitwijden, omdat ik hier al eerder een blog over heb geschreven. Waar het mij om gaat is dat het besef van dit geheel leidt tot de ontwikkeling van een gedachtengoed --> moraliteit - de noodzaak voor menselijke existentie en diens menselijkheid om gestelde normen en waarden te hanteren en handhaven om aldoende harmonie te creëeren tussen mensen.

Bestaan goed en slecht als metafysische manifestaties? Ik heb hier momenteel geen eenduidig antwoord op. Ze bestaan als een substantie binnen menselijke betrekkingen, dat heb ik hierbij bewezen, maar of ze daadwerkelijk bestaan kan ik op dit moment geen uitspraak over doen.

Mijn vrienden, ik dank u voor het nemen van de tijd voor het lezen van deze complexe blog. Ik wens u allen een hele fijne avond! Een dikke knuffel van jullie semi-filosoof, Halbe!

zaterdag 23 april 2011

Een filosofisch intermezzo - God, geloof, religie - Inleiding in de metafysica

Metafysica, er zullen mensen zijn die ooit weleens van dit fenomeen hebben gehoord, maar geen enkel idee hebben wat dit concept nou daadwerkelijk inhoudt. Deze mensen, maar ook liefhebbers als tegenstanders van metafysica ga ik met deze blog inleiden in de wereld van metafysica. Dit is nog maar het begin, mijn doel is om uiteindelijk een scherp filosofisch intermezzo te schrijven over drie verschillende thema’s: God, Geloof en Religie. Als afsluiter komt er een afsluitend intermezzo.
Voor nu wil ik het hebben over het concept genaamd metafysica


Voor het vervolg van de rest van deze blog, klik hier

Een dikke knuffel van jullie semi-filosoof, Halbe!