Posts tonen met het label Immanuel Kant. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Immanuel Kant. Alle posts tonen

zondag 31 maart 2013

Filosofisch intermezzo - Metafysica vs. Kwantum Mechanica

Het is naar weten dat alle mensen van nature streven. Een aanwijzing daarvoor is hun voorliefde voor de waarnemingen. Die voorliefde geldt de waarnemingen namelijk ook omwille van zichzelf, los van enig nut, en het meest van al de waarneming door middel van de ogen. Niet alleen namelijk om ons handelen mogelijk te maken, maar ook wanneer we geen handeling overwegen, verkiezen we het zien, durf ik te zeggen, boven alle andere waarnemingen. De oorzaak hiervan is dat vooral deze waarneming ons de dingen leert kennen en allerlei kenmerken laat zien.[...]
Ervaring heeft een aanzienlijke gelijkenis met kennis en techniek, maar in feite is het zo dat kennis en techniek bij mensen ontstaan op grond van ervaring. Ervaring is, in de woorden van Polus, de moeder van techniek, en onervarenheid baart toevalstreffers. Techniek ontstaat als uit een groot aantal inzichten die op ervaring betrekking hebben één algemene veronderstelling over alle vergelijkbare gevallen ontstaat. De veronderstelling dat Callias, wanneer hij aan een bepaalde ziekte lijdt, baat heeft bij een bepaald medicijn of een bepaalde behandeling, net als Socrates en een groot aantal andere individuen in dezelfde toestand, is een zaak van ervaring, maar de veronderstelling dat alle mensen die aan deze ziekte lijden en op de grond van één specifiek symptoom gedefinieerd worden - bijvoorbeeld als flegmatisch, cholerisch of intermitterend koortsig -, er baat bij hebben, is een zaak van techniek.
- Metafysica - Boek Alpha, Nederlandse vertaling door Dr. Ben Schomakers,pagina 79/81

De bovenstaande tekst is afkomstig uit een aantal werken van Aristoteles die bekend staan als 'De werken na de fysica'. Deze werken bespreken de fysica, het bestaan van het al. Niet vanuit een empirische visie, maar vanuit een elementaire propositie. Juist vanwege dit perspectief op de fysica zijn deze werken omgedoopt tot de metafysica - vrij vertaald in het nederlands als 'abstractum van de fysica'.
Metafysica neigt naar de wetenschap zoals wij die kennen als kwantum mechanica - de wetmatigheden van subatomaire deeltjes. Ik zeg expliciet neigt, want metafysica is nog altijd gebaseerd op logica, terwijl kwantum mechanica uitgaat van een wiskundige rangorde. Toch blijven beide vakgebieden mij enorm intrigeren, zeker gezien het gegeven dat de één gefundeerd is op onze ratio, terwijl de ander een tot heden lastig aan te tonen wetenschap is gebleven. Planck, Maxwell en Einstein waren in zekere zin de grondleggers van de kwantum mechanica. Maxwell had d.m.v. zijn berekeningen aangetoond dat er een energie bestond dat niet met de gebruikelijke experimenten konden worden aangetoond. Planck heeft uiteindelijk een model ontwikkeld dat het mogelijk maakte om die energie te kwantificeren in een vaste constante en Einstein was de eerste die met het foto-elektrisch effect het bestaan van fotonen heeft aangetoond.

De metafysica gaat echter heel ver terug, zelfs verder dan Aristoteles. In zekere zin begon de metafysica met de uitspraken die door Parmenides zijn gedaan; deze gaan uit van het onveranderlijke, van het bestaan van de ene, 'alles is eenheid'. Parmenides ging uit van het onveranderlijke - omdat alles er altijd is geweest, kan het niets niet bestaan. Hiermee legde hij als filosoof een belangrijk punt bloot over het toepassen van menselijke logica. Het feit dat A bestaat betekent niet dat hiermee het bestaan van B kan worden ontkent. Deze filosofie wordt door Hegel uitgedragen is en is voornamelijk bekritiseerd door Kierkegaard.
Een ander belangrijk punt dat door Parmenides wordt uitgedragen, is die van beweging. Als de ruimte zou zijn opgebouwd uit een vaste matrix van materie, dan kon tijd niet bestaan. Ruimte dat niet bestaat uit materie is noodzakelijk voor het bestaan van het al, want anders zou materie niet kunnen bewegen en zou het concept van beweging in het begrip van het woord zoals wij dat kennen niet eens kunnen bestaan.
Toch geeft dit stof om over na te denken, vooral in het kader van de huidige kwantum mechanische inzichten. Het concept van absolute ruimte & absolute lineaire tijd is ontkracht met de relativiteitstheorie van Einstein. Kant had in zijn tijd de metafysica herschreven door het rationalisme voortkomend uit denkers als Decartes en Leibniz te vereenzelvigen met het empirisme van denkers als Hume en Locke. Maar Kant ging uit van een absolute tijd-ruimte; in zijn transcendentale filosofie stond het subject centraal als het kennend subject van een transcendentaal object. Voor de menselijke begripsvorming is dit een toepasbaar paradigma, door vanuit een kennend bewustzijn de wereld te leren kennen - door op basis van a priori wetten uitgaan van de existentie van een elementaire vorm van kennis. Maar het concept van de absolute tijd-ruimte is in het moderne wetenschappelijk tijdperk weerlegt. Afstanden zijn betrekkelijk en afhankelijk geworden van het referentiepunt. Waar men vroeger nog uitging van een ruimte dat altijd zou bestaan, heeft men nu ontdekt dat ook al blijft een ruimte bestaan vanuit een empirisch perspectief, op kwantum niveau is alle materie veranderlijk en onderhevig aan veranderingen.

De filosofische implicaties hiervan zijn lastig te plaatsen, vooral door na te gaan dat de natuurwetten zoals die geschreven zijn door Newton op het gebied van de klassieke mechanica nog steeds functioneel en zelfs actueel zijn! Dit geeft een hoop stof te denken, dat de materiële wereld zoals wij die kennen functioneert conform de beschrijving van de fenomenen volgens de klassieke natuurwetten, maar dat er op kwantum niveau nog een wereld bestaat dat invloed uitoefent op die van ons - is hier sprake van een dualiteit?
Misschien is het handiger om eerst de volgende vraagstelling op te werpen: wat is materie?
Binnen de oude grieken waren er twee die van mening waren dat onze wereld was opgebouwd uit ondeelbare deeltjes genaamd atomen; Democritus en Epicurus waren beiden aanhanger van de theorie dat materie was opgebouwd uit atomen. Dit was meer een mechanistisch model waarmee de werking van materie kon worden verklaard en dit stond dan ook lijnrecht tegenover het model dat door Parmenides werd aangedragen - 'alles is eenheid'. Als alles eenheid zou zijn, dan kan er geen elementaire bouw zijn van materie waar alles aan onderhevig is, want alles ís al eenheid.
De wetenschap heeft uiteindelijk in de 19e eeuw het bestaan van atomen kunnen plaatsen in de atoomtheorie, hiermee was het bestaan van atomen niet aangetoond, maar konden wel een scala aan fenomenen worden verklaard. Pas eind 19e eeuw kwam men tot de ontdekking van het bestaan van de subatomaire partikels - neutronen, elektronen en protonen. Deze ontdekking leidde uiteindelijk tot het onderzoek naar subatomaire deeltjes, waarbij Einstein uiteindelijk op het bestaan van fotonen belandde.
Het bestaan van quarks en andere elementaire deeltjes die deel uitmaken van het bestaan van het al, maken het beantwoorden van deze vraagstelling bijzonder moeilijk, zo niet onmogelijk. De britse filosoof John Locke was een aanhanger van de atoomtheorie, hij maakte op een zeer gedegen wijze onderscheid tussen materie en lichaam. In zijn werk An Essay Concerning Human Understanding heeft hij het volgende geschreven:
But we see, that though it be proper to say, there is one matter of alle bodies, one cannot say, there is one body of all matters: we familiarly say, one body is bigger than another, but it sounds so harsh (and I think is never used) to say, one matter is bigger than another. [...] For body stands for a solid extended figured substance, whereof matter is but a partial and more confused conception, it seeming to me to be used for the substance and solidity of body, without taking in its extension and figure: and therefore it is that speaking of matter, we speak of it always as one, because in truth, it expressly contains nothing but the idea of a solid substance, which is everywhere the same, everywhere uniform.
De duitse filosoof Immanuel Kant had hier echter het volgende over te zeggen:
We zouden de ruimte eigenlijk geen compositum [samengestelde], maar een totum [geheel] moeten noemen, omdat de delen ervan alleen in het geheel mogelijk zijn en het geheel niet door de delen. [...] Omdat de ruimte niet iets is wat is samengesteld uit substanties (zelfs uit niet reële accidenten), zal er, als ik elke samenstelling in die ruimte ophef, niets overblijven, zelfs niet het punt; want dit punt is alleen mogelijk als grens van een ruimte, dus van een samengesteld iets. [...] We kunnen dus het bewijs voor de noodzaak van het enkelvoudige als bestanddeel van al het substantieel samengestelde [...] gemakkelijk bederven als we het te ver doorvoeren en zonder onderscheid voor al het samengestelde willen laten gelden, zoals inderdaad al dikwijls gebeurd is.
Beide filosofen waren overduidelijk aanhangers van de theorie dat het bestaan van de ruimte is samengesteld uit ondeelbare 'punten' cq. 'enkelvoudige' die bij elkaar als geheel de ruimte vormen. Waar Locke praat over "matter" als analogie van ruimte, beschouwd hij body als hetgeen materie vorm geeft. Dit laat echter de suggestie open dat materie kan bestaan zonder lichaam. Wat nog interessanter maakt is dat er wordt verwezen naar een materia prima - een primaire materie. Oftewel, dit model impliceert dat er onderscheid wordt gemaakt tussen materie en primaire materie - iets wat tegenwoordig van toepassing is tussen elementaire deeltjes (atomen, protonen etc.) en kwantum deeltjes (quarks, fotonen etc.).
Kan de vraagstelling nu worden beantwoord? Is materie hetgeen wat wordt opgevat in de breedste zin van het woord? Of kunnen kwantum deeltjes ook worden gerekend tot materie? Ik kies ervoor om kwantum deeltjes niet te rekenen tot het begrip van materie. Het moment dat kwantum deeltjes worden gerekend tot de materie, betekent dat er geen invloed kan worden uitgeoefend op de materie. En dan bevind ik mij op filosofisch glad ijs, dat ik graag in een volgende essay uitvoerig wil gaan behandelen.
Voor nu wil ik eerst nog doorgaan over de vraagstelling m.b.t. dualiteit. De ontwikkelingen van de kwantum mechanica toont aan dat alle fenomenen die zich voortbewegen d.m.v. een golfbeweging (licht, geluid, warmte etc.) worden geconstitueerd door kwantumdeeltjes. Dit geeft stof te denken, blijkbaar is het mogelijk dat alle deeltjes zich gaan rangschikken, wat veroorzaakt dit? En wat levert de energie hiervoor? Zijn het de deeltjes zelf die de energie leveren?
Schijnbaar wordt onder bepaalde condities op macroscopisch niveau (i.e. elementair niveau) een bepaalde kracht gegenereerd door de aanwezige materie op een dusdanige manier te manipuleren, waardoor het zich op een gewenste manier gaat bewegen. Geluidsgolven kunnen worden gestuurd en rangschikken zich naar de vaste materie in de vorm van een ruimte, ook bekend als de zgn. 'akoestiek'. De energie hiervoor wordt mogelijkerwijze constant doorgegeven van deeltjes op deeltje, waardoor de golf zich kan voortbewegen.
Hetzelfde geldt ook voor warmte, hoeveel warmte zijn energie veel sneller afstaat aan de omgeving dan in het geval van geluid. Wellicht is dit te wijten aan de omvang van de energie en de manier van transmissie. Geluidsgolven bewegen zich volgens rechte lijnen, terwijl warmte een diffuse baan kent; zeer inefficiënt in termen van energiebehoud en dus zal warmte ook makkelijk worden overgedragen op de omgeving (en ook afhankelijk van het soort medium, maar dan ga ik extra variabelen introduceren die niet bijdragen aan de essentie van deze alinea).
Licht is een interessant gegeven, Einstein heeft bewezen dat dit wordt bewerkstelligt door fotonen. Het is in feite een energietransmissie van fotonen en wij beschouwen cq. aanschouwen dit als licht. Ook licht kent een diffuse baan, dat zien wij als onze schaduwen. Het is een gegeven dat licht uit de zon wordt gecreëerd als een overschot aan energie afkomstig van de compositie van elementen en de afbraak van diezelfde elementen die vanwege de temperatuur in de zon instabiel worden en uiteen vallen in verschillende elementen. Een bijkomend product hiervan is licht.
Het licht dat uit onze lamp komt is enkel de ophoping van elektronen, die eveneens diffuus energie gaan uitzenden in de vorm van licht.

Hoe je het wend of keert, uiteindelijk beland ik constant bij het begrip energie. Deze derde wet van Newton is nog steeds actueel, al hoewel het gebruik van de wet discutabel is geworden vanwege de kwantum mechanica. Waar energie vroeger werd beschouwd als een substantie, wordt het tegenwoordig vrij snel beschouwd als een golf van deeltjes. Echter is tot heden onbekend wat voor deeltje(s) deze energie constitueert (afgezien van het gegeven dat licht wordt geconstitueerd door fotonen).
Aristoteles heeft het begrip van energie vooralsnog opgevat als een methode voor het beschrijven van beweging. Zijn denken, zijn metafysische werken worden door veel mensen beschouwd als een zgn. "immanente" filosofie; de zoektocht naar God zoals Kant die ondernam, of de zoektocht naar het eeuwige goede van Plato is iets wat niet bestaat niet bij Aristoteles. Zijn ethiek is er een van deugdzaamheid; zijn metafysica is er een waarvan ik die beschouw als het begin van kwantum mechanica. Plato geloofde in een wereld achter de wereld - in een realiteit achter de realiteit. Aristoteles geloofde in een wereld binnen onze wereld - een materie binnen onze materia - de materia prima - de kwantumdeeltjes. Transcendentie is een metafysisch concept die Kant heeft ontwikkeld en waarop zijn transcendentale filosofie grotendeels op stoelt en staat haaks op het immanente denken. En deze tegenstelling ga ik in een volgende essay behandelen.

Mijn vrienden, ik wens iedereen fijne paasdagen toe! Een dikke knuffel van jullie semi-filosoof, Halbe!

dinsdag 30 augustus 2011

Filosofisch intermezzo - Trivialiteit van de dingen des levens

Trivialiteit - een moeilijk woord dat vrij lastig te definiëren valt. Je zou je dan kunnen afvragen of het überhaupt zinvol is om er een hele blog aan te wijden? Ik ben van mening dat dit wel degelijk zinvol is, ik wil namelijk met dit concept aantonen hoe simpel wij tegen dingen aankijken en hoe wij pretenderen alleswetend te zijn, terwijl wij alles behalve alleswetend zijn

Het concept van trivialiteit is onlosmakelijk verbonden met het concept van waardering. Waardering kan worden omschreven als het toekennen van individuele waarde aan een object. Echter is deze omschrijving ontoereikend voor het concept van waardering an sich, want op het moment dat een individu waarde toekent aan een object, zal er een associatie worden gemaakt tussen het verkrijgen van een prettig gevoel cq. 'geluksgevoel' wanneer het individu nabij het object bevind en dit ook daadwerkelijk waarneemt.
Hier komen we al op een interessant punt, want wanneer is er sprake van een waarneming? En is een object per definitie een materialistisch object, of mag er ook sprake zijn van een metafysische manifestatie van een situatie, die bij het ervaren ervan kan worden beschouwd als object?
Staat het ervaren van een situatie niet in het verlengde van een waarneming? Pas door de bewustwording d.m.v. onze waarneming kunnen wij stellen dat wij gewaar worden van een situatie. Afhankelijk van de situatie en de gevoelens die deze situatie oproept zullen wij een prettig gevoel of een onprettig gevoel ervaren. Het is deze ervaring, de gewaarwording welke gevoelens een situatie oproept waaraan wij een bepaalde waardering koppelen.

Laten we eens teruggaan naar een materialistisch object. Op het moment dat een verkregen object ons een prettig gevoel geeft, dan zullen wij een positieve waardering geven aan dat object. De waardering echter wordt weer bepaald door secundaire factoren, welke in het geval van een object verbonden zal zijn aan de gewaarwording van de mogelijkheden die een object biedt. Dit is volledig subjectief, want afhankelijk van het waarnemingsvermogen en het inzicht dat een persoon heeft in een object zal het in staat zijn om een adequate inschatting te maken van de mogelijkheden die een object biedt.
Als ik een horloge geef aan een "bosjesman", dan zal deze beste kerel waardering tonen voor mijn gift, echter zal deze niet dezelfde waardering kunnen hebben voor mijn horloge als ik die heb. Echter staat dit weer in de context van de bruikbaarheid van een object. In onze westerse wereld leven wij als het ware met de tijd. Wij moeten ons leven zo secuur mogelijk indelen, als het mogelijk is zouden zij zelfs van tevoren onze dood plannen! Hell, dat doen wij zelfs al door een verzekering af te sluiten waarmee wij geld sparen voor onze uitvaart, hoe paradoxaal wil je het hebben, wij sparen geld (dat per definitie alleen bruikbaar is in het leven) om fatsoenlijk dood te kunnen gaan!?
Mijn gift van een horloge aan een "bosjesman" staat echter in contrast met de bruikbaarheid van de wereld waarin de beste man leeft. Hij leeft niet met de tijd, hij leeft het leven zoals het daadwerkelijk is! Daarom zal hij ook niet dezelfde waardering kunnen hebben voor mijn gift als dat het voor mij betekent.

Nu zal de lezer zich vast afvragen "hoe staat al het bovenstaande nou in verhouding tot het concept van trivialiteit?". Heel simpel, door de bovenstaande deductie van het concept van waardering heb ik kunnen vaststellen dat wij nooit volledig zullen kunnen begrijpen wat een "ding an sich" is, want het is afhankelijk van de waarnemer en diens inzicht in het object wat de mogelijkheden zijn die dit ding biedt aan de waarnemer.
In het verlengde hiervan zullen wij nooit kunnen leren van ervaringen indien wij niet adequaat waarnemen en vaststellen wat voor waarnemingen wij hebben verricht en wat voor kennis er kan worden gededuceerd uit deze waarneming, indien dit mogelijk zou zijn.
Wij kunnen een waarneming uitvoeren en toch geen kennis hieruit deduceren. Of wij verkrijgen kennis door het leggen van een verkeerd (causaal) verband, wat per definitie de actuele waardering van de 'kennis an sich' teniet doet, want de verkregen kennis is gebaseerd op onjuiste feiten. Hoe kunnen wij weten of de verkregen kennis échte kennis is, of kennis verkregen uit een deductie en dus per definitie verbonden is aan een specifieke context? Kan je dan überhaupt wel spreken over kennis als deze alleen bruikbaar is in een bepaalde context?

Dan nu zijn wij aangekomen op de actuele inhoud van het concept van "trivialiteit". Iemand die écht leeft, zal weinig waarde hechten aan het leggen van complexe verbanden. Deze persoon zal waarde hechten aan andere dingen van het leven. Voor deze persoon zijn alle complexe verbanden niet van persoonlijke waarde, zij zijn geclassificeerd als 'triviaal'. Het is ironisch, want zijn eigenlijk niet alle zaken in het leven per definitie triviaal? Is het niet pas op het moment dat wij als individu waarde gaan hechten aan een object in de ruimste betekenis van het woord, dat deze de trivialiteit van het object teniet doet? Zo ja, dan zou het concept van trivialiteit kunnen worden gedefinieerd als de natuurlijke toestand van een object danwel situatie dat existeert los van de menselijke waardering voor het object danwel situatie.

Zoals Friedrich Nietzsche het verwoordde in zijn werk "voorbij goed en kwaad - "24. O sancta simplicitas! In welk een zonderlinge vereenvoudiging en vervalsing leeft de mens! Men kan zich niet genoeg verwonderen als men eenmaal zijn ogen voor dit wonder heeft geopend!"

Mijn vrienden, ik dank jullie voor het lezen van deze diepgaande blog!
Ik wens jullie allemaal een zeer fijne avond toe.
Een dikke knuffel van jullie semi-filosoof, Halbe!

zaterdag 7 mei 2011

Filosofisch intermezzo - God, geloof, religie - Religie als het fundament voor het moraal

In deze derde blog in de serie van “een filosofisch intermezzo – god, geloof, religie”, ga ik dieper in op de concepten m.b.t. religie. Eigenlijk is het bijzonder dat er in het hedendaagse tijdperk nog steeds religies bestaan. Je zou kunnen veronderstellen dat religies een reliek zijn uit verloren gaande tijden, de tijd dat het christendom de wereld domineerde en kruistochten uitvaardigde voor de verspreiding van het christendom. De tijd dat de islam opkwam in de arabische wereld waarmee tegelijk een tijdperk van culturele ontwikkeling plaatsvond zodat een heel volk zich op een ander niveau kon ontwikkelen. Naast het feit dat er in onze samenleving een soort van “islamofobie” is ontstaan, is het toch opmerkelijk om te zien dat naast de twee bovengenoemde religies ook alle andere religies nog steeds bestaan. Hoe komt dat? Kunnen religies daadwerkelijk nog iets betekenen in de wereld van vandaag dat gefundeerd is op wetenschap met diens toepassingen?

Voordat ik een poging ga doen om deze vragen te beantwoorden, stel ik mijzelf eerst de volgende vraag: “wat is religie eigenlijk?”. Ik ben gedoopt als katholiek, althans naar mijn weten, ik durf niet exact te zeggen bij welke religieuze gemeenschap ik sta ingeschreven. Mijn onwetendheid hierover is echter een kenmerk van mijn persoonlijkheid en hoeveel waarde ik hieraan hecht, vrij weinig dus.
Dat neemt niet weg dat religie mij altijd heeft geïntrigeerd. Naast het feit dat mijn moeder wél geloofd in god, heeft het mij altijd bezig gehouden in die zin dat ik wilde weten wat de beweegredenen waren voor mensen om nog steeds een aanhanger te zijn van een bepaalde religie. Sociologisch gezien is het niet moeilijk om een aantal argumenten aan te voeren. De voornaamste is de drang van mensen om op zoek te gaan naar gelijkgezinde mensen die allemaal uiting willen geven aan hun liefde voor god. Antropologisch gezien wordt het echter interessant, want dan gaan we kijken naar het individu dat onderdeel uitmaakt van een geloofsgemeenschap.

Als eerste mogen we onze vrienden van de katholieke kerk bedanken voor alle negatieve PR die zij hebben veroorzaakt met alle schandalen rondom het sexueel misbruik. Het moge duidelijk zijn dat iedereen die zich al minder verbonden voelde met de katholieke kerk, deze ontwikkelingen de spreekwoordelijke druppel was die de emmer deed overlopen en besloten uit de gemeenschap te stappen. Echter is de ontkerkelijking van ons land al heel wat decennia in volle gang. Dat komt omdat de functie die de kerk had langzaam maar zeker werd overgenomen door de staat. Het zorgen voor armen wordt in ons land uitgevoerd door de sociale dienst, voedselbanken verzorgen het voedsel voor hen die niet in staat zijn om op een normale wijze hun monden te voeden. De sociale zorgfunctie van kerken is langzaam maar zeker verspreid over allerlei verschillende instanties, al dan wel of niet verbonden aan overheden.
Opmerkelijk is het feit dat als wij kijken naar de Islam, dat deze religie juist in opkomst is. Afgaande op de beschikbare gegevens op de site van het CBS, durf ik te stellen dat deze religie juist in opkomst is. Eigenlijk is dit zelfs een contradictoire ontwikkeling in vergelijking met de ontkerkelijking van Nederland. Waar een kerk dat van oudsher een christelijke/katholieke kerk was, wordt deze tegenwoordig gebruikt als moskee voor de islam.

Helaas hebben we nog steeds niet de vraagstelling beantwoord, namelijk “wat is religie?”. De filosoof Soren Kierkegaard zou religie bestempelen als een ‘persoonlijke band tussen god en mij’. Ik denk dat religie in vroegere tijden het mechanisme was waarmee mensen konden worden gecontroleerd. Niet voor niks leeft er in onze hedendaagse maatschappij een zekere consensus over religie dat het altijd aanleiding zal zijn voor oorlog. Dit is een argument dat voornamelijk wordt aangevoerd door mensen die zichzelf als atheïst bestempelen. Er is zelfs een tijd geweest dat ik ook mijzelf in deze groep plaatste, niet in het minst te danken aan mijn persoonlijke mening over een goddelijke entiteit. Maar daar ga ik pas in de volgende blog over schrijven.
Toch is er een wezenlijk verschil tussen het concept van religie an sich en het mechanisme waarbij religie wordt gebruikt om een hele groep mensen te controleren. Hoe vaak wordt er wel niet gezegd dat er een oorlog wordt gevoerd in de naam van god, terwijl de oorlog een daadwerkelijk doel nastreefde? Zoals het vergroten van de macht van een natie of het verspreiden van gods woord (beter bekend als de kruistochten) dat niks meer was dan het verspreiden van het christelijke gedachtengoed, waarvan mensen in die tijd overtuigd waren dat het enige juiste manier was om te leven. Tegenwoordig weten wij wel beter, maar dit toont gelijk een zeer interessant effect aan van religie – het toont de beperkingen aan tussen mensen en diens gedachten over het leven en de bekrompenheid van het accepteren van andersdenkenden.

Als er iets eng is, dan zijn het mensen die anders denken over bepaalde onderwerpen dan dat de algemene consensus over ditzelfde onderwerp is opgesteld. Ik denk dat hier wellicht een sociologische verklaring voor nodig is. Voor groeperingen om te kunnen bestaan moet er een algemene consensus bestaan over alle collectieve aangelegenheden, want anders zal de groepering in chaos ontaarden en zal deze mettertijd uit elkaar vallen en ophouden te bestaan. Zodra deze consensus is bereikt, moet deze ook worden gehanteerd, al dan wel of niet d.m.v. verschillende controlemechanismen zoals sociale controle.
De ironie die wij hierin ontwaren is dat het individu verdwijnt, want deze is verplicht om zich te conformeren naar de groep. Doet deze dat niet en zal deze andere ideeën ontwikkelen over collectieve aangelegenheden die botsen met de algemene consensus over dit onderwerp, dan kan dit in potentie de hele groep in chaos laten ontaarden, afhankelijk van de impact die het nieuwe idee heeft.
Dit sociologisch mechanisme is in principe een directe analogie met hetgeen dat zich voltrekt binnen de grenzen van de religie. Voor een religieus persoon in de westerse wereld is het volstrekt onaanvaardbaar om niet in god te geloven, want dat is het fundament van een westerse religie. Echter zorgt ditzelfde sociologisch mechanisme wel voor orde, waardoor een groepering kan blijven bestaan. En zijn niet zo’n beetje alle landen in de westerse wereld gebaseerd op het gedachtegoed dat gefundeerd is op christelijke normen en waarden? Het is dankzij diverse slimme heren (en dames voor de feministen onder ons) dat er uiteindelijk een scheiding is gemaakt tussen kerk en staat, maar feit blijft dat religie nog altijd een fundament kan leveren voor het vormen van een groep dat uniforme ideeën heeft over diverse collectieve ideeën.

Een zo’n collectief idee is naar mijn mening in de hedendaagse maatschappij een vrij onderbelicht verschijnsel, namelijk: moraal. Moraal zal indirect leiden tot de ontwikkeling van een ethisch gedachtegoed, dat mensen weer in staat zal stellen voor het ontwikkelen van deugdzaam gedrag. En is dat geen nobel streven dan? Het uitvoeren van een deugdzaam gedrag in een samenleving – dit zou namelijk op termijn leiden tot een samenleving waarin de mensen in harmonie met elkaar kunnen leven. Ook de filosoof Immanuel Kant zag dit en besloot dit om te vormen in zijn filosofisch systeem van het categorisch imperatief van de plicht.
Ondanks zijn grote invloed verbaast het mij dat de samenleving nog steeds niet diezelfde harmonie heeft bereikt als Kant destijds voorzag. Blijkbaar bestaat er diep in de aard van de mens toch een rebel dat zich weigert te conformeren naar de norm. Misschien is dat wel de zogenaamde postmoderne mens, persoonlijk zie ik de oorzaak meer in het individualisme dat zich in de hedendaagse maatschappijen langzaam maar zeker begint te manifesteren.
Dat neemt niet weg dat ook al is er sprake van de individualisering van de maatschappij, dat er nog steeds collectieve ideeën bestaan. Het verschil zit hem in de denkbeelden van deze ideeën. De algemene consensus is niks meer dan een transcendent verschijnsel van het collectief idee. Pas in het individu manifesteert dit transcendent idee zich in het individu en zal het concretiseren, waarbij dit soms tot handelen leidt.

Uit het bovenstaande kan ik deduceren dat collectieve ideeën uiteindelijk een uitwerking zal hebben op het individu. Het is een axioma om te stellen dat indien er een handelen uit voorkomt, dat dit handelen weer een effect zal geven op een collectief gegeven. Desondanks toont dit aan dat het bestaan van collectieve ideeën wel degelijk een functie hebben op het bestaan van een groepering, in de breedste zin van het woord.
Ik denk dat dát de reden is dat religie nog steeds in de hedendaagse maatschappij bestaat. Persoonlijk zie ik religie als een collectief idee dat mensen kan helpen bij het leggen van een fundament voor een moraal, ongeacht of dit nou in het teken staat van een goddelijke entiteit of niet. In die zin fungeert religie als een sociologisch mechanisme dat mensen in staat stelt om contact met elkaar te zoeken. Voor een hoop mensen is het leven an sich een hele beangstigende ervaring, religie biedt deze mensen houvast en dat zorgt ervoor dat zij niet voortijdig uit het leven stappen. Dat is naar mijn mening de reden dat mensen die een hele intensieve ervaring hebben ondergaan (al dan wel of niet in combinatie met een grote mogelijkheid om te komen overlijden) deze toewijden aan God, omdat het in hun ogen een wonder is dat zij die intensieve ervaring hebben overleeft.
Of dat waar is of niet, daar ga ik in mijn volgende blog over wijden. Deze zal dieper ingaan op alle concepten m.b.t. het bestaan van God.

Mijn beste lezers, ik dank iedereen voor het lezen van dit diepgaand stukje filosofie. Ik wens ieder nog een hele fijne dag toe!
Een dikke knuffel van jullie semi-filosoof, Halbe

donderdag 4 november 2010

Een filosofische analyse - subjectieve waarnemingen vs. objectieve kennis

In navolging van mijn vorige blog waarin ik een uiteenzetting heb gemaakt tussen emoties en rationaliteit wil ik nu verder gaan richting ons waarnemingsvermogen. Of om specifieker te zijn wil ik nu een filosofische analyse maken waarin ik een schril contrast probeer te maken tussen onze subjectieve waarneming en onze objectieve kennis.

Laten we eerst eens beginnen met een vraagstelling: hoe is het mogelijk dat waarnemingen op een dusdanige manier worden geïnterpreteert om deze vervolgens om te zetten in kennis?.
Alles wat wij waarnemen kunnen wij alleen waarnemen door middel van onze zintuigen. Maar ook deze zintuigen bevatten maximale capaciteiten. Met onze ogen kunnen wij een hoop zaken zien, maar hoe hard ik ook mijn best doe, wanneer ik op mijn werk bloed analyseer lukt het mij echt niet om cellen te onderscheiden.
De manier om deze cellen toch te kunnen analyseren kan worden bereikt door middel van verschillende analysemethoden. Indirect ben ik dus uiteindelijk in staat om toch cellen te waarnemen, vaak wordt hierbij gebruik gemaakt van hulpmiddelen.
De conclusie die hieruit kan worden getrokken is dat iets wat meetbaar is het makkelijker maakt om door middel van waarnemingen deze om te zetten in kennis. Echter, dankzij Kant's kentheorie "weten" wij dat wij nooit "de essentie van iets kunnen weten". Het enige wat wij kunnen weten is een transcendentie - een vorm dat gelijkwaardig is aan de kennis die je als mens zal opdoen. Maar dat zal nooit "echte kennis" zijn - want "echte kennis" wordt verkregen door middel van objectieve waarnemingen van een ding an sich. En objectief waarnemen is juist een thema dat wij ironisch genoeg nooit zullen kunnen.

Laten we eens een stap verder gaan richting niet-meetbare thema's. Ik ben tegenwoordig in staat om door middel van verschillende signalen op te vangen een veronderstelling te maken van wat er in het hoofd van die persoon gebeurt - echter is de menselijke psyche een onmeetbaar gegeven. Daarbij is er sprake van een essentiéle nuance - namelijk dat hetgeen ik veronderstel géén kennis is maar pure speculatie.
Deze signalen kunnen variëren in vormen - directe communicatie door middel van een gesprek of indirecte communicatie door het waarnemen van lichaamstaal. En dan nog is het géén kennis - want kennis an sich wordt verkregen door a-priori ervaringen - het ervaren van een directe waarneming waarbij directe kennis ("kennis an sich") wordt verkregen.
De ironie is echter dat hetgeen ik waarneem bij die persoon direct wordt gekleurt door mijn emoties - in weze is er géén sprake van een objectieve waarneming want elke waarneming die ik poog te doen wordt beïnvloed door mijn emotionele waarneming van de situatie. Het enige wat je dan kan doen is een soort synthese te maken tussen je ratio en emoties - op die manier stelt het jou in staat om als persoon door middel van "rationele emoties" een "emotionele situatie rationeel in te schatten".

De vraagstelling die ik nu wil stellen is het volgende: bestaan er dan wel 'pure emoties' en 'pure rationaliteit'?.
Eigenlijk niet, ieder mens leeft in balans met zijn emoties en zijn rationaliteit. Ons logisch denkvermogen wordt altijd beïnvloed door onze emoties - of wij dit nou willen of niet, wij zijn allemaal slaven van onze emoties!
Het is juist dankzij onze cognities - de "beeldende gedachten", als het ware een "ultieme synthese van waarnemingsvermogen, emoties en ratio" - dat het ons in staat stelt om onderscheid te maken tussen elke situatie en afhankelijk van het doel zullen wij rationeel danwel emotioneel handelen. Maar deze twee thema's zullen nooit los van elkaar kunnen existeren - je zou kunnen veronderstellen dat deze twee thema's een dualiteit vormen van ons bewustzijn. Hetzelfde is ook aanwezig in onze hersenen - waar de ene helft ons rationeel denkvermogen maakt en de ander ons abstract denkvermogen maakt - opnieuw een dualiteit, deze keer een dualiteit in onze hersenen. En dan komen we toch weer op onze vertrouwde vriend - Immanuel Kant met diens "Kantse dualisme".

Mensen, bedankt voor het lezen! Het was een pittige blog, maar voor enkelen die op zoek zijn naar balans tussen ratio en emoties wellicht interessant. Ik wens ieder nog een hele fijne avond!
Dikke knuffel van jullie semi-filosoof - Halbe!